ECLI:NL:RBDHA:2026:19603

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/212
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekersArt. 10 Regeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inhouding leefgeld wegens verbaal agressief gedrag tegen beveiliger in azc

Eiser, een Syrische asielzoeker geboren in 2007, verbleef in een opvanglocatie van het COA. Op 2 december 2025 werd hij door beveiliging aangesproken vanwege het niet tonen van zijn COA-kaart. Volgens verweerder uitte eiser verbaal agressief gedrag en volgde hij instructies niet op, waarop het leefgeld van €14,87 eenmalig werd ingehouden.

Eiser betwistte de feiten en stelde dat de beveiliger hem vijandig benaderde en beledigende woorden gebruikte, waarop hij slechts één keer gefrustreerd reageerde met een belediging en een beschuldiging van discriminatie. De rechtbank vond echter dat verweerder voldoende concreet had onderbouwd welke gedragingen aan eiser werden toegerekend en dat eiser zijn ongenoegen had geuit en weigerde mee te werken.

De rechtbank oordeelde dat het gedrag van eiser een incident met geringe impact vormde, passend binnen het maatregelenbeleid van verweerder, en dat de eenmalige inhouding van leefgeld gerechtvaardigd was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, zonder terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de eenmalige inhouding van leefgeld wegens verbaal agressief gedrag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/212

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Samenvatting

1. Bij besluit van 12 december 2025 heeft verweerder eenmalig het leefgeld van eiser (€14,87) ingehouden, omdat eiser verbaal agressief zou zijn geweest tegen een beveiliger en zijn instructies niet zou hebben opgevolgd. Eiser is het hier niet mee eens en stelt daartoe een aantal beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder het leefgeld van eiser mocht inhouden.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder dit mocht doen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het besluit van 12 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eenmalig €14,87 ingehouden op het leefgeld van eiser.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2007 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser verblijft in de opvanglocatie van verweerder te [plaats] .
5. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen omdat eiser zich op 2 december 2025 verbaal agressief zou hebben geuit richting een beveiliger. Daarnaast zou hij de instructies van de beveiliger niet hebben opgevolgd.
6. Eiser is het hier niet mee eens. Hij stelt dat de beschuldigingen die verweerder tegen hem inbrengt gebaseerd zijn op een onjuiste weergave van de feiten. Zo zou de beveiliger juist hem vijandig en negatief hebben aangesproken zonder een voor eiser duidelijke reden. Eiser stelt dat dit hem diep raakte vanwege eerdere ervaringen met discriminatie. Volgens hem had de beveiliger om zijn identiteitsbewijs gevraagd waarop eiser aangaf dat deze in zijn kamer lag. Eiser wilde zijn huissleutels laten zien als bewijs dat hij op het azc woonde. De beveiliger negeerde dit en beval eiser om van zijn fiets af te stappen. De beveiliger zei tegen eiser dat hij hem naar de politie wilde brengen. Eiser vroeg hem om zijn naam omdat hij een klacht wilde indienen. De beveiliger gebruikte daarop beledigende en provocerende woorden in het Arabisch en weigerde eiser zijn echte naam te geven. Toen eiser opnieuw naar zijn naam vroeg, zei de beveiliger: ‘Ik ben je vader’. Eiser reageerde op dat moment één keer gefrustreerd door een beledigend Engels woord te gebruiken en de beveiliger te beschuldigen van discriminerend gedrag. Eiser stelt dat hij verder geen beledigingen heeft geuit en geen geweld gebruikt.
7. De rechtbank oordeelt als volgt.
7.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers staat er rechtstreeks beroep bij de rechtbank open tegen besluiten tot het onthouden van verstrekkingen bij of krachtens deze wet.
7.2.
Op grond van artikel 10 van Pro de Regeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) heeft verweerder de bevoegdheid om bij wijze van maatregel verstrekkingen te onthouden. De werkwijze van verweerder bij het opleggen van maatregelen is neergelegd in het Reglement Onthouding Verstrekkingen (ROV). Daarin is bepaald op welke wijze verweerder gebruik maakt van de bevoegdheid om verstrekkingen geheel of gedeeltelijk te onthouden. Als voorbeeld van een gebeurtenis met een geringe impact wordt onder meer genoemd “Lichte agressie en geweld zonder schade (niet op de persoon gericht), zoals negatieve uitlatingen over medebewoners in een gesprek met een COA-medewerker.” Als sprake is van een incident met geringe impact, kan verweerder aan een bewoner een ROV-maatregel 1 opleggen. Dit houdt in dat gedurende de maximale periode van één week het leefgelddeel van het weekgeld wordt ingehouden.
7.3.
Uit het bestreden besluit en het onderliggende feitenonderzoek is op te maken dat eiser op 2 december 2025 in de nacht werd aangetroffen door de beveiliging. Ze kenden eiser niet en vroegen om zijn COA-kaart, die eiser weigerde te geven. Vervolgens riep eiser tegen een van de beveiligers: ‘Wie denk je wel niet dat je bent? Je bent een racist!’ en ‘Ik ga je de volgende keer pakken! Ik ga je slaan!’. Uiteindelijk gaf eiser zijn sleutel aan een van de beveiligers en is hij gecontroleerd. Later in de nacht kwam eiser terug om verhaal te halen bij de beveiliging. Hij wilde namelijk een klacht tegen de desbetreffende beveiliger indienen. De beveiliging heeft op dat moment alsnog geprobeerd een gesprek met eiser aan te gaan. Het feitenonderzoek vermeldt verder dat er op 5 december 2025 een gesprek met eiser is geweest naar aanleiding van het incident. De rechtbank stelt vast dat hiermee concreet onderbouwd is welke gedragingen aan eiser worden tegengeworpen.
7.4.
De rechtbank heeft geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de weergave van de feiten door verweerder. Eiser stelt weliswaar in algemene zin dat de aan zijn adres gemaakte verwijten onjuist zijn en dat de beveiliger juist hem negatief en vijandig heeft aangesproken, maar hij heeft niet daadwerkelijk betwist dat hij zijn ongenoegen over de gang van zaken op 2 december 2025 richting de beveiliging heeft geuit. Eiser heeft verder ter zitting erkend dat hij weigerde mee te gaan met de beveiliging.
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het aldus beschreven gedrag van eiser kunnen aanmerken als een incident met een geringe impact zoals bedoeld in zijn maatregelenbeleid. Dat eiser zelf van mening is dat de beschuldiging gebaseerd zijn op een onjuiste weergave van de feiten is daarbij niet doorslaggevend. Dat geldt ook voor het gestelde dat de betreffende beveiliger zich niet respectvol gedragen zou hebben jegens eiser.
7.6.
Gelet op het aan eiser verweten gedrag en het maatregelenbeleid heeft verweerder kunnen besluiten tot de eenmalige inhouding van het leefgeld. Van belang is hierbij nog dat eiser in het maatregelengesprek van 12 december 2025 de gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze te geven op het voornemen van verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.