ECLI:NL:RBDHA:2026:196

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
11513749 RL EXPL 25-1733
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding wegens vertraging van een vlucht van TUI Airlines Nederland B.V.

In deze zaak vorderen de eisende partijen, bestaande uit meerdere passagiers en Stichting Achmea Rechtsbijstand, een schadevergoeding van TUI Airlines Nederland B.V. wegens een aanzienlijke vertraging van hun vlucht op 23 juli 2023. De passagiers hadden een boeking voor een vlucht van Amsterdam-Schiphol naar een bestemming in Spanje, maar de vlucht arriveerde met een vertraging van 6:57 uur. De eisende partijen baseren hun vordering op de EU-verordening 261/2004, die hen recht geeft op een vergoeding van € 400,00 per persoon voor de vertraging. TUI voert verweer en stelt dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk het ontbreken van voldoende 'medical kits' op de voorgaande vlucht, wat volgens hen niet te voorkomen was.

De kantonrechter heeft de argumenten van TUI verworpen en geoordeeld dat de vertraging niet kan worden gerechtvaardigd door de gestelde buitengewone omstandigheden. De rechter heeft eerder in een vergelijkbare zaak al beslist dat het ontbreken van medical kits geen buitengewone omstandigheid oplevert. Daarnaast heeft de kantonrechter vastgesteld dat TUI niet voldoende maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. De vorderingen van de passagiers zijn toegewezen, inclusief de gevorderde buitengerechtelijke kosten en proceskosten. TUI is veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van € 19.116,65, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Kantonrechter, zittingsplaats 's-Gravenhage
CB/c
Rolnummer: 11513749 RL EXPL 25 – 1733
6 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1] , wonende te [woonplaats 1] ,

2.
[eiser 2], wonende te [woonplaats 1] ,
3.
[eiser 3], wonende te [woonplaats 2] ,
4.
[eiser 4], wonende te [woonplaats 2] ,
5.
[eiser 5], wonende te [woonplaats 1] ,
6.
[eiser 6], wonende te [woonplaats 1] ,
7.
[eiser 7], wonende te [woonplaats 1] ,
8.
[eiser 8], wonende te [woonplaats 3] ,
9.
[eiser 9], wonende te [woonplaats 3] ,
10.
[eiser 10], wonende te [woonplaats 4] ,
11.
[eiser 11], wonende te [woonplaats 5] ,
12.
[eiser 12], wonende te [woonplaats 5] ,
13.
[eiser 13], wonende [woonplaats 6] ,
14.
[eiser 14], wonende te [woonplaats 6] ,
15.
[eiser 15], wonende te [woonplaats 7] ,
16.
Stichting Achmea Rechtsbijstand, gevestigd te Apeldoorn,
17.
[eiser 17], wonende te [woonplaats 8] ,
18.
[eiser 18], wonende te [woonplaats 8] ,
19.
[eiser 19], wonende te [woonplaats 9] ,
20.
[eiser 20], wonende te [woonplaats 9] ,
21.
[eiser 21], wonende te [woonplaats 10] ,
22.
[eiser 22], wonende te [woonplaats 10] ,
23.
[eiser 23], wonende te [woonplaats 11] ,
24.
[eiser 24], wonende te [woonplaats 11] ,
25.
[eiser 25], wonende te [woonplaats 12] ,
26.
[eiser 26], wonende te [woonplaats 12] ,
27.
[eiser 27], wonende te [woonplaats 13] ,
28.
[eiser 28], wonende te [woonplaats 13] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: ‘ [eisende partijen] c.s.’ of ‘de passagiers’,
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V.),
tegen
de besloten vennootschap
TUI Airlines Nederland B.V.,
(statutair) gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TUI,
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD).

1.Het procesverloop

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
de dagvaarding van 8 januari 2025 met vijf producties (nrs. 1 tot en met 5);
de conclusie van antwoord van 2 april 2025 met zes producties (nrs. 1 tot en met 6);
de conclusie van repliek van 22 juli 2025 met vier productie (nrs. 6 tot en met 9);
de conclusie van dupliek van 14 oktober 2025.
1.2.
Bij brief van 16 oktober 2025 heeft de griffie partijen op de hoogte gesteld dat de kantonrechter op 6 januari 2026 vonnis zou wijzen. Partijen hebben zich daarop niet gemeld met het verzoek tot het houden van een mondelinge behandeling, zodat op basis van de gewisselde processtukken vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[eisende partijen] c.s. hadden een boeking voor TUI-vlucht [vluchtnummer] van Amsterdam-Schiphol Airport (Nederland) naar [bestemming 1] of [bestemming 2] ( [land] ) op 23 juli 2023.
2.2.
De vlucht maakte deel uit van een rotatievlucht Amsterdam – [bestemming 2] – [bestemming 1] - Amsterdam. De geplande vluchttijden waren:
vertrektijd aankomsttijd
Amsterdam 11:05 uur
[bestemming 2] 15:30 uur 14:50 uur
[bestemming 1] 17:05 uur 16:20 uur
Amsterdam 22:40 uur
(Alle tijden in dit vonnis zijn lokale tijden.)
2.3.
Vlucht [vluchtnummer] is met een vertraging van 6:57 uur in [bestemming 2] gearriveerd.
2.4.
De passagiers sub 1 en 2, 3 en 4, 9, 11 en 12, 13 en 14, 15, 17 en 18, 21 en 22, 27 en 28 reisden samen met minderjarige kinderen. Deze passagiers hebben de vorderingen van hun minderjarige kinderen gecedeerd aan zichzelf. In totaal betreft het cessies van veertien minderjarige kinderen.
2.5.
De passagiers [naam 1] en [naam 2] , beiden wonende te [woonplaats 14] , waren eveneens passagiers op de betreffende vlucht. Zij hebben hun vorderingen gecedeerd aan Stichting Achmea Rechtsbijstand, eiseres sub 16.

3.De vordering

3.1.
[eisende partijen] c.s., vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (I.) TUI te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 18.160,05 te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW, te rekenen direct na de vertraging, althans vanaf de datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (II.) TUI te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 956,60 te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten te rekenen vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (III.) TUI te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; (IV.) TUI te veroordelen in de nakosten van het te wijzen vonnis.
3.2.
Aan hun vordering leggen [eisende partijen] c.s. ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder de EU-verordening 261/2004 (hierna; ‘de Verordening’) en (onder meer) de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2008 (C-549/07, Wallentin-Hermann-arrest), van 19 november 2009 (C-402/07, Sturgeon-arrest) hen recht geven op een vergoeding van
€ 400,00 per persoon in verband met de vertraging van hun vlucht van Sur Reina Sofia Airport (Spanje) naar Amsterdam-Schiphol Airport op 22 juli 2023.

4.Het verweer

4.1.
TUI voert gemotiveerd verweer tegen de vordering van [eisende partijen] c.s. Het verweer komt erop neer dat bij de uitvoering van de vlucht een vertraging is ontstaan als gevolg van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Hierdoor is TUI niet gehouden de passagiers een vergoeding voor de vertraging die zij hebben ondervonden te betalen.

5.De beoordeling

5.1.
De Verordening en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoogt de passagier als consument van door een luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten bescherming te bieden tegen annulering van vluchten en de met annulering gelijkgestelde vertragingen, die een bepaalde tijdsduur overschrijden. Deze bescherming vertaalt zich in bepaalde gefixeerde schadevergoedingen en andere verplichtingen, zoals verzorging en, indien aan de orde, overnachtingen. Als uitgangspunt is de luchtvaartmaatschappij gehouden een bepaalde aan de vluchtafstand gerelateerde vergoeding aan de passagier te betalen in geval van een annulering van een vlucht of een vertraging van meer dan drie uur. Deze verplichting lijdt uitzondering, indien de luchtvaartmaatschappij zich met succes op een bijzondere omstandigheid kan beroepen, die als oorzaak voor de vertraging heeft te gelden.
5.2.
In haar conclusie van antwoord heeft TUI uit de doeken gedaan dat zij voornemens was vlucht [vluchtnummer] op 23 juli 2023 uit te voeren met het vliegtuig met registratie [registratienummer] . Dit vliegtuig voerde op de voorafgaande dag, 22 juli 2023, een retourvlucht uit Amsterdam – Tenerife v.v. onder vluchtnummer OR 1665/1666. Op de heenvlucht naar Tenerife is een passagier onwel geworden. Twee passagiers, die verpleegkundigen bleken te zijn, hebben tijdens de vlucht eerste hulp verleend. Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van een of meer ‘medical kits’, die aanwezig waren in het vliegtuig. Bij aankomst in Tenerife waren er minder dan drie complete ‘medical kits’ over, terwijl de voorschriften luiden dat tenminste drie complete kits in een vliegtuig van het type waarmee de vlucht werd uitgevoerd aanwezig moeten zijn. Te Tenerife bleken geen reserve medical kits voorradig. Een ander vliegtuig van TUI heeft een medical kit afgegeven, maar moest daarvoor een ongeplande tussenlanding maken te Tenerife. Vervolgens moest de bemanning de wettelijk voorgeschreven rusttijd in acht nemen, waardoor het niet meer mogelijk was de terugvlucht nog op 22 juli 2023 uit te voeren. Op 23 juli 2023 is het vliegtuig met een vertraging van 17:24 uur in Amsterdam gearriveerd.
5.3.
Wegens de verlate terugkeer van het vliegtuig is vlucht [vluchtnummer] op 23 juli 2023 met een vertraging van 8:03 uur vertrokken. De vlucht is uitgevoerd door eerst naar [bestemming 1] te vliegen in plaats van naar [bestemming 2] , daarna van [bestemming 1] naar [bestemming 2] en vervolgens weer retour naar Amsterdam, een en ander met een vertraging van 6:57 uur.
5.4.
TUI heeft betoogd dat vlucht [vluchtnummer] is vertraagd door buitengewone omstandigheden, namelijk het ontbreken van voldoende ‘medical kits’ op de voorgaande retourvlucht van het vliegtuig. Het verweer van TUI is om een drietal redenen onvoldoende. De kantonrechter zal dat toelichten.
5.5.
In de eerste plaats heeft de kantonrechter al in een vonnis van 24 september 2025, die de voorafgaande vlucht OR 1666 betrof beslist dat het ontbreken van medical kits geen buitengewone omstandigheid in de zin van de Verordening oplevert. In deze procedure blijft de kantonrechter bij dat oordeel. Voor zover TUI in deze procedure nog heeft willen aanvoeren dat het onwel worden van een passagier een externe oorzaak heeft verwerpt de kantonrechter die stelling. Het vervoeren van passagiers is het wezen van de bedrijfsvoering van een luchtvaartmaatschappij en passagiers kunnen getroffen worden door gezondheidsproblemen, ook tijdens vluchten. Daarom is het risico van gezondheidsproblemen van passagiers tijdens vluchten inherent aan de uitvoering van het luchtvaartbedrijf en daarmee geen externe oorzaak.
5.6.
De kantonrechter heeft bij vonnis van gelijke datum als dit vonnis zijn beslissing ten aanzien van vlucht OR 1666 nader uitgewerkt naar aanleiding van het aanvullende verweer dat TUI in de betreffende procedure heeft gevoerd, na het wijzen van het vonnis van 24 september 2025. Voor zover nodig verwijst de kantonrechter naar het laatste vonnis en de overwegingen daarin ten aanzien van de door TUI gestelde buitengewone omstandigheid.
5.7.
In de tweede plaats heeft de kantonrechter in eerdere vonnissen van 20 augustus 2024 en 4 februari 2025 al beslist dat niet langer sprake is van een rotatievlucht, indien de opvolgende vlucht van een vliegtuig dat op de voorgaande dag een of meer rotatievluchten heeft uitgevoerd, plaats vindt op de opvolgende dag. In dat kader wordt een rotatievlucht gedefinieerd als een vlucht met een vliegtuig vanaf een bepaalde vertrekluchthaven naar een of meerdere luchthavens en vandaar weer retour naar de vertrekluchthaven. In het kader van rotatievluchten heeft het Europese Hof van Justitie beslist dat een buitengewone omstandigheid op een deel van een rotatievlucht of een eerdere rotatievlucht op dezelfde dag doorwerkt naar de opvolgende vluchten. Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze uitbreiding niet doorweken naar een (rotatie)vlucht op een opvolgende dag.
5.8.
In de derde plaats is de kantonrechter van oordeel dat TUI onvoldoende heeft aangevoerd dat zij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging voor de passagiers te beperken. TUI was reeds bij of kort na de landing van het vliegtuig in Tenerife op 22 juli 2023 omstreeks 15:45 uur op de hoogte dat het vliegtuig zonder aanvulling van de medical kits niet zou mogen opstijgen voor de retourvlucht naar Amsterdam. Naar het oordeel van de kantonrechter kon TUI ook reeds een inschatting maken van de vertraging als gevolg van het invliegen van vervangende medical kits. Dat betekent dat TUI reeds vanaf dat moment, dus omstreeks 18 uur voor het geplande vertrek van vlucht [vluchtnummer] op 23 juli 2023 rekening had kunnen, en naar het oordeel van de kantonrechter, ook moeten houden met de mogelijkheid dat het vliegtuig niet tijdig voor vertrek terug zou zijn in Amsterdam. Dat de gezagvoerder daarbij ook nog beperkt was in zijn werktijden was ook een factor, waarvan TUI op dat moment kennis droeg.
5.9.
Al met al zijn aldus de verweren van TUI onvoldoende om de vorderingen van de passagiers af te kunnen wijzen en zullen de vorderingen worden toegewezen, zowel wat betreft de hoofdsom en de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Als de in het ongelijk gestelde partij zal TUI worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de passagiers. De proceskosten van de passagiers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.823,47
5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt TUI tot betaling van een bedrag van € 19.116,65 (€ 18.160,05 in hoofdsom en € 956,60 voor buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 18.160,05 van de dag na de vertraging en over een bedrag van € 956,60 vanaf de dag van de dagvaarding;
6.2.
veroordeelt TUI in de proceskosten van € 1.823,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TUI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt TUI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.