ECLI:NL:RBDHA:2026:1957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.61556 en NL25.61557
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 30b Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Paragraaf C2/2.4 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag Venezuela wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging

Eiser, een Venezolaanse staatsburger, diende op 4 december 2025 een opvolgende asielaanvraag in na eerdere afwijzing in 2024. Hij stelde dat zijn politieke activiteiten in Nederland en zijn rol als coördinator van een stichting en lid van een politieke partij hem bij terugkeer naar Venezuela vervolging zouden opleveren.

De minister van Asiel en Migratie achtte de identiteit en activiteiten van eiser geloofwaardig, maar vond dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging had. De stichting en politieke partij hadden een beperkt bereik en eiser had geen concrete aanwijzingen geleverd dat hij door de Venezolaanse autoriteiten werd gezocht.

De rechtbank volgde dit oordeel en oordeelde dat eiser niet voldeed aan het individualiseringsvereiste. Ook het opgelegde inreisverbod werd niet onrechtmatig bevonden, ondanks een motiveringsgebrek, omdat eiser geen aantoonbaar familieleven in Nederland had. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De proceskosten werden aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61556 (beroep) en NL25.61557 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 4 december 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. E.V. Appeldoorn, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.S. van Wezel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
De vorige asielaanvraag2. Eiser heeft de Venezolaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Eiser heeft op 14 december 2022 een eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 11 november 2024 is deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht en geloofwaardig geacht dat eiser politieke activiteiten heeft verricht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging en/of ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM [2] , omdat eisers politieke overtuiging van beperkte sterkte is en hij slechts marginale activiteiten heeft verricht. Verweerder heeft verder eisers problemen met de inlichtingendienst Sebin ongeloofwaardig geacht. De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard. [3] De afwijzing staat derhalve in rechte vast.
De huidige opvolgende asielaanvraag3. Op 4 december 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verklaard dat zijn politieke activiteiten in Nederland zijn geïntensiveerd en dat hij als coördinator actief is voor de [stichting] , die hij samen met anderen heeft opgericht. Ook is hij lid van de politieke partij [politieke partij] , waarvoor hij werkzaam is als [functie] . Eiser vreest bij terugkeer naar Venezuela voor vervolging vanwege deze politieke activiteiten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
Eisers activiteiten voor [stichting] en [politieke partij] .
4.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder vindt het ook geloofwaardig dat eiser activiteiten heeft verricht voor [stichting] en [politieke partij] . Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Venezuela geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert allereerst aan dat zijn vrees voor vervolging gegrond is dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Mensen die gelieerd zijn aan [politieke partij] worden namelijk Venezuela uitgejaagd. Ook wordt hun nationaliteit ingetrokken en krijgen zij buitensporig lange gevangenisstraffen. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de asielaanvraag van een landgenote die dezelfde werkzaamheden heeft verricht wel is ingewilligd. Bovendien zijn de Venezolaanse autoriteiten wel op de hoogte van eisers werkzaamheden in Nederland, omdat zijn paspoort inmiddels is ingetrokken. Daarnaast kan het eiser niet worden aangerekend dat hij enkel documenten van de demonstraties in Rotterdam en Utrecht kan overleggen. Zijn laptop was namelijk verdwenen en hij zit in vreemdelingenbewaring. Eiser voert verder aan dat het meest recente ambtsbericht van Venezuela achterhaald is gezien de dreiging vanuit de Verenigde Staten en de recente ontvoering van Nicolás Maduro. Onduidelijk is welke risico’s hij hierdoor loopt als hij terug moet keren naar Venezuela. Verweerder is in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op de oplopende spanningen in het land. Tot slot voert eiser aan dat het opleggen van een inreisverbod niet gepast is, omdat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft met een Nederlandse partner en het familieleven in de toekomst mogelijk een andere vorm zal krijgen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Gegronde vrees voor vervolging
7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser een politieke overtuiging heeft, politieke activiteiten heeft verricht in Nederland en het voor Venezuela geldende risicoprofiel voor politiek activisten [4] op hem van toepassing is. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep, waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden, als bedoeld in paragraaf C2/2.4 van de Vc. De vreemdeling moet met individuele omstandigheden zoals zijn persoonlijke omstandigheden, verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen aannemelijk maken dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Venezuela vanwege zijn politieke overtuiging en politieke activiteiten in Nederland persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft.
7.2.
Verweerder heeft allereerst kunnen betrekken dat de door eiser verrichte activiteiten voor de [stichting] en de Nederlandse tak van [politieke partij] een relatief beperkt bereik hebben. Eiser staat met naam en foto op de website en social media van de [stichting] . Verweerder heeft er echter op kunnen wijzen dat de stichting is gericht op de Venezolaanse gemeenschap in Nederland en slechts 90 leden kent. Ook hebben de social media accounts [5] van de stichting een beperkt bereik, met 1.000-2.000 volgers. Daarnaast staan er foto’s van eiser op het Instagramaccount van de Nederlandse tak van [politieke partij] . Ook dit Instagramaccount heeft slechts 5.000 volgers en richt zich op Venezolanen in Nederland. Het betreft bovendien niet het officiële Instagramaccount van de oppositiepartij. Eisers betoog dat de berichten van het Nederlandse Instagramaccount worden gedeeld door het officiële account van [politieke partij] , heeft niet tot een andere conclusie hoeven leiden. Eiser heeft immers niet onderbouwd dat berichten van het Nederlandse Instagramaccount zijn gedeeld door het officiële account en dat deze berichten naar hem te herleiden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank bieden eisers online activiteiten dus onvoldoende aanknopingspunten om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen.
7.3.
Verweerder heeft verder terecht betrokken dat eiser weliswaar een coördinerende rol heeft binnen de Nederlandse tak van [politieke partij] , maar dat hij niet aan een concreet project heeft gewerkt. [6] Het is dus niet waarschijnlijk dat eiser door zijn coördinerende rol is opgevallen bij de Venezolaanse autoriteiten. Dat eiser op uitnodiging van de [stichting] het proces tegen Nicolás Maduro bij het Internationaal Strafhof heeft bijgewoond en medeorganisator was van demonstraties in Rotterdam en Utrecht, maakt ook niet dat hij daarmee automatisch de negatieve aandacht van de Venezolaanse autoriteiten heeft gewekt en bij een terugkeer naar zijn land te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder heeft in dit verband terecht gewezen op informatie uit het Algemeen Ambtsbericht van Venezuela van juni 2020 waaruit volgt dat met name vooraanstaande oppositieleden en activisten, zoals oppositieleiders en parlementsleden, gericht worden vervolgd. [7] Uit algemene informatie volgt niet dat de Venezolaanse autoriteiten al hun in het buitenland verblijvende onderdanen in de gaten houden. Dat eiser lid is van [politieke partij] , maakt voorgaande niet anders. Niet is immers gebleken dat eiser een vooraanstaande rol heeft gespeeld binnen deze partij. Nu eisers verrichte activiteiten een relatief beperkt bereik hebben, heeft verweerder eiser terecht niet aangemerkt als vooraanstaand oppositielid of activist. Verweerder heeft in dit kader ook terecht van belang geacht dat, hoewel de voorzitter van de [stichting] heeft verklaard dat eiser de afgelopen jaren aan ongeveer 30 activiteiten heeft deelgenomen, eiser enkel documenten heeft overgelegd van de demonstraties in Rotterdam en Utrecht. Niet valt in te zien dat eiser geen documenten heeft kunnen overleggen van zijn overige activiteiten. Dat zijn laptop zou zijn verdwenen en hij in vreemdelingenbewaring zit, vindt de rechtbank geen verschoonbare verklaring. Verweerder heeft ten slotte terecht van belang geacht dat eiser geen concrete aanwijzingen naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij op dit moment wordt gezocht door de Venezolaanse autoriteiten. Zo heeft eisers moeder sinds zijn vertrek uit het land geen problemen ondervonden met de Venezolaanse autoriteiten. Ook is nooit naar eiser gevraagd, [8] terwijl eiser al sinds 2023 actief is voor de [stichting] en in datzelfde jaar lid is geworden van [politieke partij] .
7.4.
Eiser heeft verder aangevoerd dat de Venezolaanse autoriteiten zijn paspoort hebben geannuleerd. Ter onderbouwing van zijn verklaring heeft hij een uitdraai uit het portaal SAIME [9] overgelegd waarin staat vermeld dat het paspoort met nummer [nummer] is geannuleerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser hiermee niet heeft aangetoond dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Venezolaanse autoriteiten. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat in het World Report 2025 van Human Rights Watch [10] staat dat na de verkiezingen van 28 juli 2024 de paspoorten van opposanten zijn geannuleerd zodat zij Venezuela niet konden verlaten. Nu eiser al enkele jaren in het buitenland verblijft, valt niet in te zien waarom de Venezolaanse autoriteiten zijn paspoort zouden annuleren. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat op de uitdraai niet staat vermeld op welke datum het paspoort is ingetrokken. Bovendien heeft verweerder terecht gesteld dat niet zondermeer kan worden aangenomen dat de Venezolaanse autoriteiten het paspoort van eiser hebben geannuleerd. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij naar aanleiding van de overgelegde uitdraai navraag heeft gedaan bij de landenspecialist, die heeft aangegeven dat het mogelijk is om in het portaal SAIME zelf een paspoort te annuleren. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen. Eiser heeft dit ter zitting ook niet weersproken.
7.5.
Daarnaast heeft verweerder terecht betrokken dat eiser geen inzicht heeft gegeven in hoe hij zijn politieke overtuiging in Venezuela zou willen uiten. Aan eiser is tijdens het gehoor de hypothetische vraag gesteld hoe hij zich bij terugkeer zou willen uiten. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij niet terug wil keren. Daarop is aan eiser gevraagd of hij zich dan op dezelfde manier zou willen uiten als dat hij nu doet. Eiser antwoordt daarop:
“Ja. (…) En daarom blijf ik dat ook in Nederland doen als activist en coördinator van de politieke partij [politieke partij] , omdat ik me dat hier ook kan veroorloven.” [11] De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat eiser met deze verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer door de uiting van zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten komt te staan.
7.6.
Voorts kan eiser geen geslaagd beroep doen op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar een zaak van een landgenote die dezelfde werkzaamheden heeft verricht en wel in het bezit is gesteld van een asielvergunning. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting deugdelijk gemotiveerd dat de aangehaalde zaak verschilt van onderhavige zaak, omdat deze landgenote – anders dan eiser – met persoonlijke onderbouwende stukken aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico is dat zij persoonlijk in de negatieve aandacht van de Venezolaanse autoriteiten staat.
7.7.
In de beroepsgronden heeft eiser verder nog aangevoerd dat onduidelijk is welke risico’s hij loopt bij terugkeer naar Venezuela gezien de dreiging vanuit de Verenigde Staten en de recente arrestatie van Nicolás Maduro. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit openbare informatie niet blijkt dat de situatie voor politiek actieve personen na de recente gebeurtenissen zodanig is gewijzigd dat zij meer risico lopen om vervolgd te worden dan voorheen. Zo zijn er geen berichten bekend dat opposanten op grootschalige wijze worden aangehouden en vervolgd. Verweerder heeft er in dit kader op gewezen dat uit openbare bronnen juist blijkt dat de Venezolaanse autoriteiten zijn doorgegaan met de vrijlating van politieke gevangenen. [12] De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Nu verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser zijn vrees gelet op het voorgaande niet aannemelijk heeft gemaakt, ziet de rechtbank in de recente ontwikkelingen in Venezuela ook onvoldoende aanknopingspunten om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen.
Reëel risico op ernstige schade
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij een terugkeer naar Venezuela. Hoewel de autoriteiten van de Verenigde Staten recent aanvallen hebben uitgevoerd op Venezuela en daarbij Nicolás Maduro hebben gearresteerd, blijkt uit de beschikbare openbare informatie niet dat er sprake is van een internationaal of grootschalig binnenlands gewapend conflict. Zo betrof het een eenmalige aanval die met name gericht was op specifieke (militaire) doelen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade door de recente gebeurtenissen in Venezuela. Eisers beroepsgrond dat verweerder niet in is gegaan op de oplopende spanningen met de Verenigde Staten, slaagt niet. Verweerder heeft in het voornemen en in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van deze spanningen persoonlijk problemen zal ondervinden.
Inreisverbod9. De rechtbank stelt voorop dat het terugkeerbesluit van 11 november 2024 niet met het bestreden besluit is opgelegd en inmiddels in rechte vast staat. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Nu eiser Nederland niet uit eigen beweging binnen de vertrektermijn heeft verlaten, is op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw een inreisverbod uitgevaardigd. De rechtbank stelt vast dat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod moet afzien, omdat hij een Nederlandse partner heeft en familieleven met haar uitoefent in Nederland. Eiser heeft dit herhaald in de beroepsgronden. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit onder het kopje terugkeerbesluit het standpunt heeft ingenomen dat er in dit geval sprake is van een herhaalde aanvraag en dat daarom niet ambtshalve aan artikel 8 van Pro het EVRM wordt getoetst. Verweerder heeft echter niet beoordeeld of de uitvaardiging van het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Het bestreden besluit bevat dus een gebrek. De rechtbank zal dit gebrek echter passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, nu eiser hierdoor niet in zijn belangen wordt geschaad. Verweerder heeft zich ter zitting namelijk op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM wat het opleggen van een inreisverbod in de weg staat. De rechtbank kan dit volgen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Vanwege het onder rechtsoverweging 9 geconstateerde motiveringsgebrek krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze proceskosten betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6148.
4.Paragraaf C7/36.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
5.Instagram- en X-account.
6.Gehoor opvolgende aanvraag van 11 december 2025, p. 6.
7.Algemeen Ambtsbericht voor Venezuela, juni 2020, p. 37 en 38.
8.Gehoor opvolgende aanvraag van 11 december 2025, p. 7.
9.Servicio Administrativo de Identificación, Migración y Extranjería (SAIME: Administratieve Dienst van Identificatie, Migratie en Vreemdelingenzaken).
10.World Report 2025: Venezuela van Human Rights Watch.
11.Gehoor opvolgende aanvraag van 11 december 2025, p. 14.
12.Onder meer een artikel van 9 januari 2026, CNN, Venezuela releases first prisoners in ‘peace’ gesture: Here’s what to know | CNN en een artikel van 9 januari 2026, BBC, Venezuelan government begins releasing political prisoners.