ECLI:NL:RBDHA:2026:1956

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.58148
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArtikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse biseksuele vrouw wegens ongeloofwaardigheid en geen reëel risico

Eiseres, een Nigeriaanse vrouw die biseksueel is, diende op 3 juli 2023 een asielaanvraag in in Nederland. Verweerder wees deze aanvraag op 30 oktober 2025 af, waarbij het tweede asielmotief, haar seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen, als ongeloofwaardig werd beoordeeld. De rechtbank behandelde het beroep op 20 januari 2026.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het tweede asielmotief ongeloofwaardig vond, omdat eiseres geen samenhangend en aannemelijk verhaal gaf over haar seksuele geaardheid, haar gevoelens en relaties, en onvoldoende kennis toonde over de LHBTI-situatie in Nederland. Ook het beroep op een EUAA-rapport over Nigeria bood geen steun, omdat dit niet van toepassing was op haar situatie.

Verder mocht verweerder concluderen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro, ondanks haar Nederlandse dochter, omdat het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder weegt en er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Nigeria voort te zetten.

De rechtbank bevestigde dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria, mede omdat zij als alleenstaande vrouw altijd staande heeft weten te houden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de asielaanvraag af wegens ongeloofwaardigheid en geen reëel risico op ernstige schade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58148

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.
1.1.
Eiseres heeft op 3 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiseres heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiseres heeft verklaard dat zij biseksueel is en aanvankelijk naar Nederland is gekomen om haar stiefvader te bezoeken. Toen zij hoorde dat biseksuelen bescherming kunnen krijgen in Nederland, heeft zij een asielaanvraag ingediend. Bij terugkeer vreest eiseres voor de mensen uit haar gemeenschap, omdat zij de politie kunnen vertellen over haar geaardheid. Eiseres vreest dat zij dan naar de gevangenis moet.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres (het eerste asielmotief);
De seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen van eiseres (het tweede asielmotief).
3.1.
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Verweerder vindt het tweede asielmotief niet geloofwaardig, omdat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en zij haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hier geen goede verklaring voor heeft. [1] Verweerder vindt verder dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [2]
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst vindt eiseres dat ontoereikend is gemotiveerd dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is. Eiseres heeft met haar verklaringen inzicht gegeven in het proces van acceptatie, de uiting van haar gevoelens en haar relaties. Daarnaast is eiseres niet bezig met het verzamelen van kennis over de LHBTI-situatie in Nederland, omdat zij de zorg heeft voor haar minderjarige kind. Tot slot doet eiseres een beroep op het rapport van EUAA inzake Nigeria van november 2025. [3] Eiseres meent dat zij, gelet op dit rapport, een reëel risico loopt op ernstige schade.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is. Hierbij is het volgende van belang.
6.1.
Verweerder heeft allereerst kunnen tegenwerpen dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo mocht verweerder betrekken dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij erachter kwam dat zij ook op vrouwen valt en welke gevoelens zij daarbij had. De verklaringen van eiseres hierover heeft verweerder kunnen bestempelen als oppervlakkig en algemeen. Verweerder mocht ook betrekken dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het voor haar was om in Canada te kunnen zijn wie zij wilde zijn en daarna terug te moeten keren naar Nigeria, een land waar haar geaardheid niet geaccepteerd wordt. De enkele verklaring dat eiseres in Canada een leuke tijd had en niemand raar naar haar keek en het moeilijk en anders was om na drie jaar in Nigeria terug te zijn [4] , heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden. Voorts heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiseres summier en oppervlakkig heeft verklaard over haar relaties met [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Zo heeft de hoormedewerker meerdere malen naar haar gevoelens voor de vrouwen gevraagd, maar blijven haar antwoorden oppervlakkig. De beroepsgrond van eiseres dat zij, gelet op haar referentiekader, wel inzicht heeft gegeven in haar persoonlijke ervaringen en/of gevoelens, volgt de rechtbank niet. Dat eiseres het lastig vindt om over haar gevoelens te praten, betekent namelijk niet dat zij in het geheel geen inzichtelijke verklaringen af zou kunnen leggen. Tot slot heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiseres weinig kennis heeft van de situatie voor LHBTI’s in Nederland, terwijl dit wel van haar verwacht had mogen worden. Ze heeft namelijk ook verklaard dat zij in Nederland is gebleven juist omdat zij had gehoord dat LHBTI’s hier geaccepteerd worden. In dit licht valt niet in te zien dat eiseres vervolgens weinig kan vertellen over de positie van de LHBTI-gemeenschap in de Nederlandse samenleving. Dat eiseres de zorg heeft voor haar minderjarige kind en daarom niet bezig zou zijn met het verzamelen van kennis hierover, doet aan voorgaande niet af. Alleen al op basis van het voorgaande mocht verweerder dit asielmotief ongeloofwaardig vinden, zodat de andere tegenwerpingen geen bespreking behoeven.
Mocht verweerder vinden dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
7. In de beroepsgronden heeft eiseres aangevoerd dat verweerder in onderhavige asielprocedure ambtshalve aan het Chavez-Vilchez [5] arrest had moeten toetsen, omdat eiseres een minderjarige dochter heeft met de Nederlandse nationaliteit. Ter zitting heeft zij deze beroepsgrond laten vallen, nu verweerder de toezegging heeft gedaan dat eiseres de betaalde leges voor de ingediende separate Chavez-aanvraag terugbetaald krijgt.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM vanwege haar Nederlandse dochter. Verweerder heeft ter zitting verduidelijkt dat er wel familieleven wordt aangenomen tussen eiseres en haar dochter, maar dat het belang van eiseres om dit familieleven in Nederland uit te oefenen niet opweegt tegen het algemeen belang van de Nederlandse samenleving om een restrictief toelatingsbeleid te voeren. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Hierbij heeft verweerder in het nadeel van eiseres kunnen meewegen dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Nigeria uit te oefenen, nu haar dochter nog jong is en vanwege de afkomst van haar moeder ook banden heeft met dit land. Verweerder heeft ook in het nadeel van eiseres kunnen meewegen dat niet is onderbouwd dat haar dochter familieleven uitoefent met haar vader in Nederland. Aan de omstandigheden dat de moeder van eiseres is overleden en haar stiefvader in Nederland woont, heeft verweerder ook geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Eiseres heeft immers het grootste gedeelte van haar leven in Nigeria gewoond en gewerkt. Het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM slaagt, gelet op het voorgaande, niet.
Mocht verweerder vinden dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade bij een terugkeer naar Nigeria?
9. Verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade bij een terugkeer naar Nigeria. Zoals hiervoor overwogen, mocht verweerder het ongeloofwaardig vinden dat eiseres biseksueel is en daardoor problemen heeft ondervonden. Eiseres heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij persoonlijk het risico loopt om slachtoffer te worden van ernstige schade. In de verwijzing naar het rapport van EUAA inzake Nigeria van november 2025, heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om tot een ander oordeel te komen. In het rapport wordt ingegaan op de situatie van LHBTI’s in Nigeria. Deze informatie is echter niet van toepassing op de situatie van eiseres, omdat verweerder haar gestelde biseksuele geaardheid ongeloofwaardig mocht vinden. Het rapport maakt ook melding van de discriminatie van alleenstaande vrouwen in Nigeria. Hieruit volgt echter niet dat er sprake is van blootstelling aan ernstig geweld, ernstige discriminerende maatregelen of strafbepalingen gericht tegen alleenstaande vrouwen. Verweerder heeft er in dit kader ook terecht op gewezen dat eiseres zich als alleenstaande vrouw in Nigeria altijd staande heeft weten te houden.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
11. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.European Union Agency for Asylum, Nigeria: Country Focus, November 2025, p. 21, 46 en 62.
4.Nader gehoor van 17 oktober 2025, p. 13.
5.Uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.