Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, diende op 25 april 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 11 augustus 2025 al een asielaanvraag in Duitsland had ingediend. Op grond van de Dublinverordening werd Duitsland verzocht om eiser terug te nemen, wat werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege tekortkomingen in de toegang tot medische zorg voor asielzoekers in Duitsland. Hij verwees naar rapporten en zijn eigen ervaringen met medische zorg in Duitsland. De rechtbank oordeelde echter dat deze belemmeringen niet zodanig zijn dat het vertrouwensbeginsel moet worden losgelaten.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij geen toegang tot noodzakelijke medische zorg zou krijgen en dat de Duitse autoriteiten de asielaanvraag met inachtneming van Europese regelgeving zullen behandelen. Ook werden geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die overdracht aan Duitsland onevenredig hard maken.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen door Nederland. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet is doorbroken.