ECLI:NL:RBDHA:2026:19478

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/09/701947 / KG ZA 26-309
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking verkoop woning na beëindiging relatie tussen ex-partners

Partijen zijn ex-partners met drie kinderen en gezamenlijk eigenaar van een woning die nog belast is met een hypotheek. Na beëindiging van hun relatie in 2019 is de vrouw tijdelijk uit de woning vertrokken, maar woont zij inmiddels weer in een huurwoning. De man woont met zijn nieuwe partner in de woning. Er is onenigheid over de verkoop van de woning en het aandeel van de vrouw daarin.

De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning aan een derde, waaronder het aangaan van een bemiddelingsovereenkomst met een makelaar, het opvolgen van verkoopadviezen, het tekenen van koop- en leveringsaktes, en het ontruimen van de woning. De man wenst het aandeel van de vrouw over te nemen, maar heeft geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie en er rust executoriaal beslag op zijn aandeel.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw wel degelijk spoedeisend belang heeft bij verkoop vanwege het beslag en de onzekerheid daaromtrent. De ontruimingsvordering wordt afgewezen, maar de man wordt veroordeeld tot volledige medewerking aan het verkoopproces, met een dwangsom bij niet-naleving. Tevens wordt bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man indien hij niet meewerkt. Iedere partij draagt de eigen kosten.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning met dwangsommen bij niet-naleving, ontruiming wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/701947 / KG ZA 26-309
Vonnis in kort geding van 22 april 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. P. van de Kolk te Den Haag,
tegen:
[de man]te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. M. Haasjes te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 april 2026 met producties 1 tot en met 3;
- de brief van 14 april 2026 van de zijde van de vrouw waarbij de aanvullende producties 4 tot en met 6 zijn overgelegd;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3;
- de op 20 april 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn ex-partners. Zij hebben samen drie kinderen waarvan de jongste - die bij de vrouw woont - nog minderjarig is. De relatie van partijen is begin januari 2019 geëindigd.
2.2.
Partijen zijn eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna ook: de woning). De woning is gefinancierd met een lening van Nationale Nederlanden (NN). Per 31 december 2025 bedroeg de hypotheekschuld van partijen € 214.218,37.
2.3.
Nadat de relatie van partijen werd verbroken heeft de vrouw enkele maanden in de noodopvang gezeten met twee kinderen. De vrouw heeft rond mei/juni 2019 een huurwoning aan de [straatnaam] te [plaats] betrokken. De man verbleef toen in de woning aan de [adres]. Tussen partijen hebben zich diverse incidenten voorgedaan. De kinderen van partijen zijn eerder onder toezicht gesteld en één van de kinderen is tijdelijk uit huis geplaatst. Op enig moment heeft de vrouw de woning aan de [adres] weer betrokken, waarna de man zijn intrek in de huurwoning aan de [straatnaam] heeft genomen. Inmiddels woont de vrouw weer in haar huurwoning aan de [straatnaam], en woont de man, met zijn nieuwe partner, in de woning aan de [adres].
2.4.
Nadat partijen uit elkaar zijn gegaan, heeft de man aanvankelijk het aandeel van de vrouw in de woning van haar willen overnemen. Daarvan is het niet gekomen omdat geen overeenstemming werd bereikt over de waarde van de woning op basis waarvan de man dat aandeel zou mogen overnemen. In 2021 heeft de man ook nog aangedrongen op een verkoop van de woning aan een derde maar daar is het toen ook niet van gekomen. In 2025 hebben partijen weer contact gehad met een makelaar in verband met een voorgenomen verkoop van de woning aan een derde, maar dat traject is niet voortgezet. Inmiddels wenst de man het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Hij heeft zonder overleg met de vrouw in de woning een muur doorgebroken waarmee hij van twee ruimtes één ruimte heeft gemaakt.
2.5.
Op 21 mei 2025 heeft de Belastingdienst executoriaal beslag gelegd op het aandeel van de man in de woning. Aan het beslag ligt een groot aantal dwangbevelen verband houdend met belastingschulden van de man over de jaren 2018 tot en met 2020 ten grondslag.
2.6.
Op 4 juni 2025 heeft NN de vrouw geïnformeerd over het zojuist genoemde executoriaal beslag op de woning.
2.7.
Tussen november 2025 en februari 2026 heeft de advocaat van de man gecorrespondeerd met de Belastingdienst in verband met een verzoek om kwijtschelding van de man c.q. een regeling tussen de man en een tweetal vennootschappen van de man en de Belastingdienst anderzijds.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om de woning aan de [adres] te [plaats] binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en de woning onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de makelaar te stellen en te laten;
II. de man te veroordelen om binnen een week na betekening van het vonnis partijen opdracht te geven tot verkoop van de woning door [makelaarskantoor] dan wel een andere door de rechtbank te benoemen makelaar, bij gebreke waarvan het vonnis van de voorzieningenrechter in de plaats komt van de handtekening van de man voor de verkoopopdracht aan de makelaar’
III. de man te veroordelen om de aanwijzingen van de makelaar ten aanzien van het verkoopklaar maken van de woning, het nemen van foto’s ten behoeve van de verkoop, bezichtigingen, verkoop- en laatprijs en overige aanwijzingen ten behoeve van de verkoop op te volgen;
IV. de man te veroordelen om mee te werken aan de overdracht van de woning aan de [adres] te [plaats] door op de dag van de voor notariële overdracht van de woning benodigde handtekening te plaatsen onder de notariële akte van de overdracht aan de koper;
V. te bepalen dat als de man niet meewerkt aan de levering van de woning aan de koper op de dag die daarvoor in de koopovereenkomst is bepaald dan wel een andere door de koper aangegeven dag niet later dan veertien dagen na de in de koopovereenkomst vastgelegde leveringsdatum, het in deze te wijzen vonnis in de plaats zal komen van de voor notariële akte van de woning aan de [adres] te [plaats] benodigde handtekening van de man onder notariële akte van overdracht van de woning aan de koper;
VI. de man te veroordelen in de kosten van de ontruiming.
3.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan.
Partijen hebben hun relatie al jaren geleden beëindigd en er is nog steeds geen zicht op verdeling van de woning. Van de vrouw kan niet worden verwacht dat de woning nog langer onverdeeld blijft. De vrouw lijdt onder de last van het gezamenlijk eigendom van de woning. Daarbij heeft de Belastingdienst beslag op het aandeel van de man in de woning gelegd en dreigt nu executie daarvan. Een executoriale verkoop is altijd nadelig. Het is in het belang van de vrouw dat de woning zo spoedig mogelijk op reguliere wijze wordt verkocht. De man heeft geen inzage gegeven in zijn financiële situatie en zijn mogelijkheden om de belastingschuld met de Belastingdienst op te lossen. Een reëel zicht op een oplossing is niet geboden. Van de vrouw kan niet worden verlangd dat zij steeds weer maanden wacht. Ook heeft de man zonder toestemming van de vrouw een muur in de woning doorgebroken.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De man stelt dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Hij voert aan dat de relatie van partijen al zeven jaar geleden is geëindigd. De vrouw heeft al lange tijd een eigen woning, zodat de man niet inziet waarom de woning nu ineens moet worden verkocht en hij vooruitlopend daarop de woning al moet verlaten. De man wenst de woning over te nemen, maar daarvoor is nodig dat hij met de Belastingdienst tot een regeling komt. Dat proces heeft helaas tijd nodig, aldus de man.
4.2.
De voorzieningenrechter volgt de man niet in zijn verweer dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij verkoop van de woning. De man wenst de woning zelf over te nemen, en het had zeker de voorkeur gehad om die route (oplossen geschil met de Belastingdienst, rondkrijgen financiering voor de uitkoop van de vrouw) te doorlopen. De man heeft in het verleden die wens ook al uitgesproken, maar gesprekken daarover met de vrouw zijn toen stukgelopen, omdat er geen overeenstemming werd bereikt over waarde van de woning op basis waarvan de man het aandeel van de vrouw zou mogen overnemen. De man heeft in deze kort gedingprocedure verder geen inzicht in zijn financiën gegeven, en daarmee is geen vertrouwen ontstaan dat hij het aandeel van de vrouw kan overnemen. Daar komt bij dat er ook nog eens objectieve aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de man niet in staat is het aandeel van de vrouw over te nemen. Daarvoor is allereerst van belang dat de Belastingdienst voor een bedrag van om en nabij € 100.000,- beslag heeft gelegd op zijn aandeel in de woning. Ook is ter zitting gebleken dat de man in het verleden de premie voor de opstalverzekering van de woning niet meer heeft betaald en dat deze verzekering door de verzekeraar opgeschort is geweest. Op de vraag van de voorzieningenrechter of de premie daarna wel tijdig is voldaan moest de man het antwoord schuldig blijven. Ook dat draagt niet bij aan het vertrouwen dat de man zijn financiën op orde heeft en op korte termijn het aandeel van de vrouw zou kunnen overnemen.
4.3.
De vrouw heeft te duchten van de executoriale beslaglegging door de Belastingdienst omdat het ongewis is wat een executoriale verkoop van het aandeel van de man voor haar zal betekenen; dat de vrouw die onrust houdt ondanks de geruststellende woorden van de zijde van de man (waarvan de strekking was: “de Belastingdienst gaat echt niet zomaar over tot executie”) is begrijpelijk. Daar komt nog bij dat de man zich gedraagt als heer en meester van de woning door zonder toestemming van de vrouw aanpassingen in de woning aan te brengen, zoals het doorbreken van een muur. De man, die zegt alle lasten van de woning te voldoen, maakt de vrouw bijzonder ongerust door nogal laconiek om te gaan met het wel of niet betaald zijn van de opstalverzekering. Op grond hiervan komen de vorderingen van vrouw die erop zijn gericht dat de man moet meewerken aan verkoop van de woning aan een derde, voor toewijzing in aanmerking. Nu partijen in het verleden al met [makelaarskantoor] contact hebben gehad over de verkoop van de woning, en de man er op zichzelf geen bezwaren tegen heeft geuit dat met [makelaarskantoor] een bemiddelingsovereenkomst zal worden gesloten, zal de voorzieningenrechter de man veroordelen om met de vrouw met [makelaarskantoor] een bemiddelingsovereenkomst tot verkoop te sluiten.
4.4.
De onder I gevorderde ontruiming van de woning zal de voorzieningenrechter afwijzen. Er is geen noodzaak om de man nu al te veroordelen de woning te ontruimen en te verlaten. Ter zitting heeft de vrouw ook toegelicht dat deze vordering vooral als stok achter de deur moet worden begrepen, namelijk voor het geval de man niet stipt meewerkt aan een spoedige verkoop van de woning aan een derde. De voorzieningenrechter zal het onder I gevorderde weliswaar afwijzen, maar zal het mindere toewijzen. Dit mindere bestaat uit een veroordeling van de man om op straffe van een dwangsom zijn medewerking te verlenen aan een gunstig verkoopproces. Hieronder valt niet alleen het opvolgen van verkoopadviezen van de makelaar, maar ook volledige medewerking aan alle benodigde feitelijke- en rechtshandelingen ten aanzien van het opheffen van het executoriale beslag op de woning en het tekenen van een koopovereenkomst met een derde. De hoogte van de dwangsom is in het dictum van dit vonnis bepaald. De dwangsom zal worden gemaximeerd.
4.5.
Over de medewerking van de man om tot opheffing van het executoriale beslag te komen, tekent de voorzieningenrechter aan dat de vereiste medewerking van de man in ieder geval (maar niet uitsluitend) uit het volgende bestaat. De man moet de Belastingdienst zo spoedig mogelijk van dit vonnis op de hoogte brengt. Ook moet hij de Belastingdienst naar aanleiding van biedingen van potentiële gegadigden informeren over het advies van de makelaar met welke partij een koopovereenkomst te sluiten (en onder welke voorwaarden). Verder moet hij zich inspannen om met de Belastingdienst een regeling te treffen om tot opheffing van het executoriale beslag te komen. Als de man zijn medewerking verleent aan een gunstig verkoopproces en aan opheffing van executoriaal beslag op de woning, heeft de vrouw er verder geen nadeel van dat de man ten tijde van het verkoopproces nog in de woning woont. De verdere voorwaarden voor dit verkoopproces zijn opgenomen in het dictum van dit vonnis.
4.6.
Omdat er executoriaal beslag op de woning is gelegd, zijn partijen afhankelijk van de Belastingdienst om tot opheffing van het beslag te komen, die nodig is om de woning aan een derde te leveren. Voor deze onzekerheid dient – zo nodig – ter bescherming van beide partijen een voorziening (voorwaarde) in de koopovereenkomst getroffen te worden. Het ligt dan ook op de weg van partijen om [makelaarskantoor] van dit vonnis op de hoogte te stellen en de adviezen van de makelaar op dit punt op te volgen.
4.7.
De voorzieningenrechter zal verder bepalen dat als de man zijn medewerking niet verleent aan de ondertekening van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper, dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man.
4.8.
De voorzieningenrechter wijst verder nog op het volgende. Ter zitting is de man er uitdrukkelijk op gewezen dat het van wezenlijk belang is dat de premie voor de opstalverzekering stipt wordt betaald. De man dient dan ook zo spoedig mogelijk na te gaan of dit ook het geval is, en als dat niet het geval is, dan moet hij ervoor zorgen dat achterstanden worden ingelopen en dat (zo nodig) wordt bewerkstelligd dat de verzekering weer wordt hersteld, of dat er elders dekking onder een opstalverzekering wordt verkregen.
4.9.
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres] te [plaats] aan (een) derde(n), waartoe hij in ieder geval:
binnen zeven dagen nadat dit vonnis is uitgesproken samen met de vrouw een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met makelaar [makelaarskantoor] te Den Haag onder de voor een NVM-/VBO-/Vastgoed Pro-makelaar gebruikelijke voorwaarden;
de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de vrouw op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren, en waarbij hij ten aanzien van het opheffen van het executoriale beslag op de woning zijn volledige medewerking aan alle benodigde feitelijke- en rechtshandelingen zal verlenen;
dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen twee dagen nadat de vrouw de man daar schriftelijk om heeft verzocht, indien en voor zover:
- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en waarbij
- een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal vier weken na de ondertekening van de verkoopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en
- de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;
dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;
50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan gedaagde toekomende aandeel in de overwaarde;
5.2.
bepaalt dat, indien de man niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking als bedoeld in 5.1 onder b. een dwangsom verschuldigd is van € 250,00 per overtreding en van € 250,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 25.000,00;
5.3.
bepaalt dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.1 onder a., c en d., dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper.
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
ddg