ECLI:NL:RBDHA:2026:19438

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
09/038635-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 138 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd voor winkeldiefstal en lokaalvredebreuk

De rechtbank Den Haag heeft op 2 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van winkeldiefstal en lokaalvredebreuk op 5 februari 2026. De verdachte had blikjes frisdrank weggenomen bij Albert Heijn en was ondanks een winkelontzegging van 12 maanden wederrechtelijk de winkel binnengedrongen.

Tijdens de terechtzitting op 18 juni 2026 werd het bewijs besproken, waaronder processen-verbaal van verhoren en aangifte. De verdachte bekende de feiten en de rechtbank verklaarde deze wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie vorderde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar voor de winkeldiefstal, terwijl voor de lokaalvredebreuk geen straf werd gevorderd.

De rechtbank nam het strafblad en het reclasseringsadvies in overweging, waarin werd gewezen op de ernstige recidive, psychische problematiek en het ontbreken van een stabiele woon- en leefsituatie. Gezien de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden en het advies van de reclassering, achtte de rechtbank de ISD-maatregel passend en noodzakelijk. De maatregel werd opgelegd voor de maximale duur van twee jaar zonder aftrek van voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van de lokaalvredebreuk werd geen straf of maatregel opgelegd, conform artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, onder voorzitterschap van mr. N. Hengeveld.

Uitkomst: Verdachte krijgt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar opgelegd voor winkeldiefstal; geen straf voor lokaalvredebreuk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/038635-26
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.H.H. Sijbers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. Berkel naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 5 februari 2026 te ’s-Gravenhage een of meerdere blikjes frisdrank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 5 februari 2026 te ’s-Gravenhage in het besloten lokaal op/aan de [adres] bij Albert Heijn, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 20 september 2025 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 12 maanden.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026041513, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 33).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, op 9 februari 2026 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier (p. 1-2);
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 5 februari 2026 (p. 6-7);
3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 6 februari 2026 (p. 29-30).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 5 februari 2026 te ’s-Gravenhage blikjes frisdrank die aan Albert Heijn toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 5 februari 2026 te ’s-Gravenhage in het besloten lokaal aan de [adres]
,bij Albert Heijn in gebruik
,wederrechtelijk is binnengedrongen
,immers was hem, verdachte, met ingang van 20 september 2025 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 12 maanden.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat voor het onder 1 ten laste gelegde aan de verdachte onvoorwaardelijk de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd. Voor hetgeen onder 2 ten laste gelegd, heeft de officier van justitie gevorderd dat er geen straf of maatregel wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij de ISD-maatregel wil. De raadsman van de verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder de ze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en aan lokaalvredebreuk. Winkeldiefstal is een hinderlijk feit, waarvan winkeliers en de maatschappij schade en overlast ondervinden. Daarmee heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen. Ondanks dat de verdachte al meerdere keren de toegang tot de supermarkt was ontzegd en hij hiervoor winkelontzeggingen had gekregen, heeft dat de verdachte er niet van weerhouden weer deze supermarkt te betreden en er een diefstal te plegen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte herhaaldelijk voor soortgelijke, overlastgevende, feiten is veroordeeld.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of oplegging van de ISD-maatregel, zoals door de officier van justitie gevorderd, is aangewezen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 16 februari 2026. De reclassering adviseert de rechtbank om bij een veroordeling aan de verdachte een ISD-maatregel op te leggen.
Uit het advies blijkt dat er op nagenoeg elk leefgebied bij de verdachte sprake is van risicofactoren die het risico op recidive hoog maken. Verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, geen inkomen en een steunnetwerk ontbreekt. De reclassering ziet tevens aanwijzingen voor psychi(atri)sche problematiek. Bovendien heeft de verdachte ondanks verschillende sancties en een waarschuwing voor een ISD-maatregel wederom een vermogensdelict gepleegd.
De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden en toezicht de risico's te beperken in het kader van een voorwaardelijke straf of maatregel. De verdachte houdt immers contact met de reclassering af, wantrouwt zijn omgeving, heeft geen vast adres en lijkt sneller te recidiveren dan een ambulante behandeling zou kunnen aanslaan. Bovendien is onduidelijk gebleven waardoor en sinds wanneer de verdachte precies in zijn dagelijks functioneren wordt belemmerd. Vanuit zorg- en veiligheidsoptiek is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wat de reclassering betreft wenselijk en noodzakelijk. Het is aangewezen dat er binnen deze maatregel zicht komt op de verdachte zijn psychisch functioneren en eventuele verslavingsproblematiek en dat de noodzaak, haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een klinische behandeling (bij bijvoorbeeld een centrum voor transculturele psychiatrie) wordt onderzocht.
Voorwaarden ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoet aan alle voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel, zoals bepaald in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Er is een vordering van het Openbaar Ministerie tot oplegging van de ISD-maatregel. De verdachte heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan diefstal, een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Ook is hij in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel veroordeeld, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet gelet op de problematiek waarmee de verdachte kampt, het strafblad en de onderhavige veroordeling, ernstig rekening worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van personen of goederen in het geding is.
De verdachte voldoet naast deze wettelijke vereisten ook aan de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Tegen de verdachte zijn in de afgelopen vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de datum van het laatst gepleegde feit.
ISD-maatregel passend en geboden
De rechtbank is, met de reclassering, van oordeel dat minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive niet tot de reële mogelijkheden behoren en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft. De complexe problematiek waarmee de verdachte lijkt te kampen tezamen met de leefomstandigheden van de verdachte en het feit dat de verdachte contact met de reclassering afhoudt, maken dat alternatieven binnen een voorwaardelijk kader niet als voldoende kansrijk kunnen worden beschouwd.
Alles afwegende acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. Voor een optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om de verdachte gelegenheid te geven aan zijn problematiek te werken, acht de rechtbank het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.
In de omstandigheid dat de rechtbank ten aanzien van de winkeldiefstal de ISD-maatregel aan de verdachte zal opleggen, ziet de rechtbank aanleiding om ten aanzien van de bewezen verklaarde lokaalvredebreuk, toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 38m, 38n, 57, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
ten aanzien van feit 2:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op:
de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur
van 2 (TWEE) JAREN.
bepaalt dat
geen straf of maatregelwordt opgelegd ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit;
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Hengeveld, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Dries, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.