Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
- € 2.858,39 aan deurwaarderskosten;
- € 495,- aan VvE-bijdragen;
- € 7.794,02 aan hypotheeklasten;
- € 11.495,- aan schadeherstel door [technisch bedrijf].
Rechtbank Den Haag
De man en vrouw, ex-echtgenoten die in gemeenschap van goederen waren gehuwd, zijn gescheiden en hebben gezamenlijk een woning verkocht. Na aflossing van de hypotheek resteerde een overwaarde die tussen hen werd verdeeld. De vrouw legde conservatoir derdenbeslag op het aandeel van de man in het surplus van de verkoopopbrengst vanwege openstaande vorderingen.
De man vorderde in kort geding opheffing van dit beslag, stellende dat de vorderingen van de vrouw ondeugdelijk zijn en het beslag onnodig en onrechtmatig is. Hij gaf aan het beslag nodig te hebben voor de aankoop van een nieuwe woning en wees op mogelijke negatieve gevolgen zoals een BKR-registratie en druk op zijn integriteit.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de man niet aannemelijk had gemaakt dat de vorderingen van de vrouw ondeugdelijk zijn of dat het beslag onrechtmatig is. Het beslag is verleend voor een begrote vordering die aansluit bij eerdere rechterlijke uitspraken en depotbedragen. De man had ook geen afspraken gemaakt met de vrouw over vrijgave van gelden. De bezwaren van de man werden onvoldoende onderbouwd geacht.
De vordering tot opheffing van het beslag werd daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag op het aandeel van de man in de verkoopopbrengst van de woning wordt afgewezen.