ECLI:NL:RBDHA:2026:19433

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.22322
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 lid 1 VwVreemdelingenwet 2000Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vrijheidsbeperkende maatregel tegen vreemdeling en minderjarige zoon

De minister van Asiel en Migratie heeft op 23 maart 2026 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan eiseres en haar minderjarige zoon, waarbij zij verplicht werden te verblijven in de gemeente Emmen. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde aan dat zij bereid is mee te werken aan terugkeer, maar niet over de juiste documenten beschikt. Tevens betwistte zij de noodzaak en proportionaliteit van de maatregel en stelde dat de belangen van haar zoon onvoldoende zijn meegewogen.

De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 behandeld en oordeelt dat de minister de maatregel voldoende heeft gemotiveerd. De maatregel is noodzakelijk om toezicht te houden op de medewerking aan vertrek, mede omdat eiseres tijdens een vertrekgesprek aangaf niet te willen meewerken en geen concrete pogingen heeft ondernomen om te vertrekken. Ook het ontbreken van een vaste woon- of verblijfsplaats en onvoldoende middelen van bestaan rechtvaardigen de maatregel.

De rechtbank acht de maatregel proportioneel, mede omdat er al een lichter middel is opgelegd en de minister rekening heeft gehouden met de opvang en medische zorg voor eiseres en haar zoon. De belangen van de minderjarige zijn volgens de rechtbank voldoende betrokken bij de besluitvorming. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22322

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [v-nummer],
alsmede namens haar minderjarige zoon:

[naam],

V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 23 maart 2026 aan eiseres een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw [1] (de maatregel).
1.1.
Eiseres heeft, mede namens haar minderjarige zoon, tegen de maatregel beroep ingesteld en heeft gronden ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen op de rechtbank. Ook is er een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Beslissing
2. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel rechtmatig is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Besluitvorming
3. De minister heeft eiseres verplicht om met ingang van 6 april 2026 met haar minderjarige zoon te verblijven in de gemeente Emmen. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eiseres niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Verder beschikt eiseres niet over een vaste woon- of verblijfsplaats en heeft zij onvoldoende middelen van bestaan.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres stelt dat er geen noodzaak is om haar vrijheid te beperken. Zij heeft aangegeven te willen meewerken aan terugkeer en dit heeft zij ook altijd laten zien. Ze geeft aan dat zelfstandig vertrek echter niet mogelijk is, omdat ze niet over de juiste documenten beschikt en hier ook niet aan kan komen. Daarnaast stelt eiseres dat de minister niet heeft onderbouwd waarom wordt aangenomen dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel waarom zonder oplegging van de maatregel onvoldoende zicht bestaat op haar verblijfsplaats of haar medewerking aan de terugkeer. Volgens eiseres heeft de minister ook niet gemotiveerd waarom niet met een minder ingrijpend middel hetzelfde doel kan worden bereikt. Bovendien vindt eiseres de onderbouwing bij de proportionaliteit ondeugdelijk. Eiseres is van mening dat er afzonderlijk dient te worden gemotiveerd waarom de beperking van de vrijheid van eiseres noodzakelijk en evenwichtig is in verhouding tot het daarmee nagestreefde doel. Eiseres stelt dat de beperking van de vrijheid door de maatregel ingrijpend voor haar is en dat er alternatieven aanwezig zijn qua opvang, zoals verblijven bij familie of bij een hulporganisatie. Eiseres geeft aan dat zij zich aan de regels wil houden en daarom momenteel wel in Emmen verblijft.
4.1.
Eiseres stelt verder dat de belangen van haar minderjarige zoon niet kenbaar bij de beoordeling zijn betrokken. Volgens eiseres is niet gebleken dat de minister heeft onderzocht welke gevolgen de maatregel heeft voor het welzijn, de stabiliteit en de ontwikkeling van het kind. Eiseres geeft aan dat de verhuizing van Almelo naar Emmen een trauma bij haar zoon heeft veroorzaakt. Eiseres vertelt dat haar zoon graag terug wil naar Almelo. Door de verhuizing is haar zoon extra afhankelijk geworden van zijn moeder, vertelt eiseres. Evenmin blijkt volgens eiseres dat het belang van het kind, overeenkomstig artikel 3 van Pro het IVRK [2] , als een eerste overweging is betrokken bij het nemen van het besluit.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister de maatregel deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft hierbij terecht overwogen dat de maatregel noodzakelijk is om toezicht te kunnen houden of eiseres daadwerkelijk invulling geeft aan de verplichting om actief mee te merken aan vertrek. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres tijdens het vertrekgesprek van 29 december 2025 heeft verklaard niet te willen meewerken aan terugkeer. Daarnaast heeft eiseres evenmin concrete pogingen ondernomen om haar vertrek te realiseren. Dat eiseres op zitting heeft aangegeven dat zij wel wil meewerken, maar niet over de juiste documenten beschikt, kan hieraan niet af doen. De minister heeft verder terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiseres niet beschikt over een vaste woon- of verblijfsplaats en over voldoende middelen van bestaan. Eiseres staat niet ingeschreven in het BRP, haar asielaanvraag is afgewezen en er is geen sprake van rechtmatig verblijf. Het feit dat eiseres op zitting heeft aangegeven dat ze bij familie kan verblijven, maakt dit niet anders. De minister heeft op zitting terecht opgemerkt dat het eiseres vrijstaat om bij haar familie te verblijven. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de maatregel proportioneel is. In de maatregel is, naast de noodzaak voor de maatregel, overwogen dat, nu eiseres geen recht meer heeft op opvang, zij niet heeft onderbouwd dat zij op andere wijze toegang zou kunnen krijgen tot opvang en de asielaanvraag van eiseres is afgewezen, aan eiseres een lichter middel in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Dat de minister ten onrechte niet zou hebben gemotiveerd waarom een minder ingrijpend middel zou volstaan, volgt de rechtbank niet. De rechtbank merkt op dat er al een lichter middel aan eiseres is opgelegd, in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel. De minister heeft er terecht op gewezen dat het eiseres vrijstaat om met het COa [3] afspraken te maken over het gebiedsgebod en de dagelijkse meldplicht.
5.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres en haar minderjarige zoon. Door het opleggen van de maatregel wordt aan eiseres en haar minderjarige zoon opvang geboden, inclusief de daarbij behorende voorzieningen, waaronder medische zorg. Eiseres heeft daarnaast niet met nadere stukken onderbouwd dat de belangen van haar minderjarige zoon, waaronder zijn medische situatie, door de oplegging van de maatregel zijn geschaad. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister bij de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres haar minderjarige zoon

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
3.Centraal orgaan Opvang Asielzoekers.