ECLI:NL:RBDHA:2026:19412

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19298, NL26.19299 en NL26.30540
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 29 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013Verordening (EU) nr. 2024/1351
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag en verlenging overdrachtstermijn volgens Dublinverordening

Eiser, met de Soedanese nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen dit besluit en tegen de verlenging van de overdrachtstermijn.

De rechtbank stelt vast dat Nederland op basis van Eurodac-gegevens en een terugnameverzoek aan Frankrijk heeft vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Hoewel Frankrijk het verzoek op een andere grondslag accepteerde dan Nederland had ingediend, verandert dit niets aan de verantwoordelijkheid van Frankrijk. Eiser stelde dat de overdracht onevenredige hardheid zou veroorzaken vanwege risico op indirect refoulement en gebrek aan opvang in Frankrijk, maar de rechtbank gaat uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en volgt eerdere jurisprudentie dat dit niet onderzocht mag worden zonder systeemfouten.

Verder oordeelt de rechtbank dat eiser doelbewust ondergedoken is door zijn verblijfplaats te wijzigen zonder dit te melden, waardoor de verlenging van de overdrachtstermijn gerechtvaardigd is. De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag en de verlenging van de overdrachtstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19298 (beroep), NL26.19299 (voorlopige voorziening) en NL26.30540 (beroep)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Demirtas)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het beroep van eiser tegen het verlengen van de overdrachtstermijn. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1989. Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat hij Frankrijk verantwoordelijk acht voor de aanvraag.
1.1.
De beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en zijn beroep tegen het verlengen van de overdrachtstermijn. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. [1] Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). [2] Omdat het bestreden besluit is genomen vóór 12 juni 2026 zijn de regels van de AMBV in deze zaak nog niet van toepassing. Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 21 maart 2023 en op 12 mei 2023 een verzoek om internationale bescherming in Frankrijk heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 7 januari 2026 een terugnameverzoek naar Frankrijk verstuurd. De Franse autoriteiten zijn op 21 januari 2026 hiermee akkoord gegaan. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Frankrijk vast komen te staan.
Berust het claimakkoord op de juiste grondslag?
5. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met het standpunt dat het feit dat het claimakkoord van Frankrijk is gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d van Dublinverordening niets verandert aan de uitkomst. Nederland heeft immers een terugnameverzoek ingediend op basis van de b-grond en dus niet op basis van de d-grond. Door deze verandering in de grondslag van de terugname verandert eisers rechtspositie in Frankrijk.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft een terugnameverzoek gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. De Franse autoriteiten hebben op 21 januari 2026 het terugnameverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Hiermee staat vast dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Dat sprake is van een andere acceptatiegrond dan door verweerder in het claimverzoek is genoemd, leidt niet tot het oordeel dat daarmee de verantwoordelijkheid van Frankrijk niet vast is komen te staan. Hierbij is van belang dat verweerder in het claimverzoek de voor de beoordeling van het verzoek relevante informatie heeft vermeld en de Eurodac-gegevens als bijlage bij het verzoek heeft gevoegd. De autoriteiten van Frankrijk konden daarom een voldoende geïnformeerd besluit nemen op dat verzoek. Voor zover eiser stelt dat het accepteren op een andere grondslag nadelige gevolgen voor eiser zou kunnen hebben, oordeelt de rechtbank dat dit niet de toets is.
De beroepsgrond slaagt niet.
Moest verweerder eisers asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in behandeling nemen?
6. Eiser voert aan dat de overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt en dat verweerder eisers asielaanvraag daarom in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening. Verweerder had eisers bijzondere, individuele omstandigheden in onderlinge samenhang moeten beoordelen, maar heeft dat niet gedaan. Eiser voert in dit kader aan dat zijn asielaanvraag in Frankrijk al is afgewezen. Hij zal daarom door Frankrijk worden uitgezet naar Soedan. Daardoor zal sprake zijn van indirect refoulement. Verder heeft eiser in Frankrijk geen opvang gekregen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser opnieuw in Frankrijk asiel kan aanvragen, maar verweerder heeft niet gemotiveerd op welke manier eiser een hernieuwd verzoek kan indienen.
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Nu ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, gaat de rechtbank ervan uit dat Frankrijk haar internationale verplichtingen nakomt. Verweerder had dan ook in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag zelf in behandeling te nemen.
6.2.
Bovendien heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 12 juni 2024 [3] in navolging van het Hof van Justitie geoordeeld dat de rechtbank niet mag onderzoeken of de vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat een risico loopt op indirect refoulement, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Eiser kan zijn vrees voor uitzetting naar Soedan aankaarten bij de Franse autoriteiten.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder de overdrachtstermijn verlengen?
7. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser is ondergedoken zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft enkel en alleen zijn verblijfplaats gewijzigd zonder dit aan de Nederlandse autoriteiten mee te delen. Dit betekent niet dat hij doelbewust is ondergedoken om onder de Dublinclaim uit te komen. Volgens eiser heeft verweerder dan ook niet mogen besluiten om de overdrachtstermijn te verlengen met zes maanden.
7.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
7.1.1.
In het arrest Jawo [4] legt het Hof van Justitie artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uit dat een vreemdeling onderduikt wanneer deze doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, om deze overdracht te voorkomen. Als de betrokken vreemdeling zijn toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten hiervan op de hoogte te brengen, mag verweerder ervan uitgaan dat de vreemdeling de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij zich bewust was van zijn verplichtingen. Het is aan verweerder om dit aannemelijk te maken. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen.
7.1.2.
In paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is opgenomen dat wanneer de vreemdeling in kennis is gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en is geïnformeerd over de gevolgen van het niet meewerken hieraan en hij vervolgens (tijdelijk) buiten bereik van de autoriteiten is, verweerder in ieder geval aanneemt dat de vreemdeling zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken en daarmee onderduikt. Verweerder verlengt de uiterste overdrachtsdatum niet als sprake is geweest van verschoonbare feiten en omstandigheden of als de vreemdeling niet is ingelicht over de verplichtingen die dienaangaande op hem rusten.
7.1.3.
Eiser wist met het besluit van 7 april 2026 dat hij binnen zes maanden zou worden overgedragen aan Frankrijk. Ook wist eiser, middels het door hem ondertekende M35H-formulier, dat hij een wijziging van zijn woon-en verblijfplaats moet doorgeven aan de autoriteiten. Vast staat dat eiser in strijd met die verplichting zijn verblijfplaats heeft gewijzigd zonder dit aan de autoriteiten mee te delen.
7.1.4.
Eiser heeft geen geldige reden gegeven voor het feit dat hij de autoriteiten niet heeft ingelicht over zijn afwezigheid. Eisers verklaring ter zitting dat hij had gehoord dat zijn moeder was overleden, hij het daardoor psychisch zwaar had en toen naar een vriend is gegaan en vergeten is dit aan de autoriteiten te melden, is naar het oordeel van de rechtbank geen verschoonbare reden. Ook heeft eiser deze stelling niet onderbouwd. Verweerder heeft dan ook terecht de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd tot achttien maanden.
7.1.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
9. Er bestaat daarom ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft de beroepen, hogerberoepschriften sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. De hogerberoepschriften moeten worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaken spoed hebben, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met Rectificatie (EU) 2025/90929.
3.Uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
4.Arrest van 19 maart 2019, Abubacarr Jawo tegen Bundesrepublik Deutschland, ECLI:C:EU:2019:218.