ECLI:NL:RBDHA:2026:19408

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/09/697160
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:107 BWArt. 3:108 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bouw op erfgrens en afwijzing verjaring in burenrechtzaak

Eiser, eigenaar van een perceel sinds circa 25 jaar, vordert dat de erfgrens wordt vastgesteld conform een erfgrensreconstructie en dat gedaagde onrechtmatig op zijn perceel heeft gebouwd met een overkapping, pergola en muur. Gedaagde voert verjaring aan en stelt dat zij de strook in bezit heeft.

De rechtbank stelt vast dat de erfgrensreconstructie niet wordt betwist en dat gedaagde geen bezit heeft van de strook volgens de maatstaven van het Burgerlijk Wetboek. Handelingen zoals het plaatsen van betonblokken en het gebruik van de strook als tuin zijn onvoldoende om bezit aan te nemen. Het beroep op verkrijgende en bevrijdende verjaring faalt.

Verder wijst de rechtbank het verweer van onevenredige benadeling af, omdat gedaagde onvoldoende inzicht gaf in de kosten van aanpassing en bovendien grove schuld heeft aan de erfgrensoverschrijding door voortzetting van de bouw na sommatie. Ook het beroep op misbruik van recht wordt verworpen, omdat eiser een rechtens te respecteren belang heeft bij ontruiming.

De rechtbank veroordeelt gedaagde tot verwijdering van de bouwwerken binnen één maand, betaling van de kosten van de erfgrensreconstructie, proceskosten en wettelijke rente, en wijst het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: Gedaagde is onrechtmatig op het perceel van eiser gebouwd en wordt veroordeeld tot verwijdering en betaling van kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/697160 / HA ZA 26-37
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
hierna: [eiser] ,
advocaat: mr. M.L. Ravensbergen-Brussee te Noordwijkerhout,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna: [gedaagde] ,
advocaten: mr. M. Zwennes en mr. R.M. Ebens te Amsterdam.

1.1. De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 december 2025, met producties 1 tot en met 15;
- de conclusie van antwoord van 4 maart 2026, met de producties 1 tot en met 12;
- het vonnis van 25 maart 2026 waarin een plaatsopneming en mondelinge behandeling is bevolen;
- de akte overlegging aanvullende producties van [eiser] , met producties 16 en 17.
1.2.
De plaatsopneming en mondelinge behandeling hebben plaatsgevonden op 29 mei
2026. Partijen zijn verschenen, vergezeld van hun advocaten. Van de plaatsopneming is een proces-verbaal opgemaakt. De griffier heeft verder aantekeningen gemaakt van wat er is besproken tijdens de mondelinge behandeling.

2.De feiten

2.1.
[eiser] woont aan [adres 1] en is sinds circa 25 jaar eigenaar van het perceel eindigend op het [kadastraal nummer 1] ( [perceel 1] ).
2.2.
[gedaagde] woont aan [adres 2] is en is sinds 2024 eigenaar van het perceel eindigend op het [kadastraal nummer 2] ( [perceel 2] ). Partijen zijn buren van elkaar.
2.3.
In april 2025 heeft [eiser] de oude schutting in zijn achtertuin, die door zijn rechtsvoorganger in of omstreeks 1986 is geplaatst, vervangen door een nieuwe schutting. De nieuwe schutting is op dezelfde plek opgetrokken als de oude schutting.
2.4.
In juni 2025 heeft [gedaagde] de schuur in haar achtertuin gesloopt en vervangen door een houten overkapping.
2.5.
Bij bericht van 20 juni 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat een deel van de overkapping op [perceel 1] gebouwd is.
2.6.
Bij brief van 17 juli 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] aangeschreven en haar verzocht om aan een erfgrensreconstructie mee te werken en gesommeerd te bevestigen de onrechtmatige situatie op te heffen indien uit de erfgrensreconstructie blijkt dat sprake is van een overbouw. [gedaagde] heeft geen bevestigende reactie gestuurd op deze brief.
2.7.
[gedaagde] heeft in de periode juni tot september 2025 ook een pergola in haar achtertuin geplaatst en een muur opgetrokken parallel aan de schutting in de tuin van [eiser] met daartussen een kleine strook grond.
2.8.
Op verzoek van [eiser] heeft het Kadaster op 9 september 2025 een erfgrensreconstructie (de erfgrensreconstructie) uitgevoerd. Deze meetgegevens en waarnemingen zijn vastgelegd in de tekening die is opgenomen in een relaas van bevindingen. Deze tekening is als bijlage bij dit vonnis gehecht.
2.9.
Bij brief van 23 september 2025 heeft de advocaat van [eiser] het relaas van bevindingen van de erfgrensreconstructie gestuurd naar [gedaagde] en gesommeerd de overbouw van de schuur, de pergola en muur op de strook grond van [perceel 1] tussen de schutting en [perceel 2] (de strook) te verwijderen.
2.10.
Bij brief van 22 oktober 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] onder meer een beroep gedaan op verkrijgende en bevrijdende verjaring van de strook.
2.11.
Tussen de advocaten van partijen heeft nog een nadere correspondentie plaatsgevonden.

3.3. Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat de erfgrens tussen de percelen van partijen loopt conform het relaas van bevindingen van de erfgrensreconstructie;
te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig op het [perceel 1] heeft gebouwd en daarmee inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eiser] ;
[gedaagde] te veroordelen om binnen één maand na betekening van het in dezen te wijzen vonnis al hetgeen door haar op en/of over de erfgrens en op het perceel van [eiser] is gebouwd, te weten een gedeelte van de schuur/overkapping, de houten pergola en de stenen muur, te (laten) verwijderen en verwijderd te houden, dus de betreffende delen van het kadastrale perceel van [eiser] te ontruimen en ter beschikking van [eiser] te stellen, op straffe van een dwangsom van € 200 per dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 20.000;
[gedaagde] te veroordelen om, nadat het gedeelte van schuur/overkapping, de houten pergola en muur zijn verwijderd, mee te werken aan het door [eiser] op eigen terrein te (laten) plaatsen van een erfafscheiding tegen de erfgrens;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van:
a. een bedrag van € 540 voor de erfgrensreconstructie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
b. de proceskosten; en
c. de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
Op hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal de rechtbank hierna bij de beoordeling terugkomen.

4.De beoordeling

Inleiding

4.1.
In deze procedure vordert [eiser] , met een beroep op zijn eigendomsrecht, ontruiming van de strook. Uit de erfgrensreconstructie blijkt dat de strook onderdeel is van [perceel 1] en een uiteenlopende breedte heeft van 9 tot 64 cm. De juistheid van de erfgrensconstructie is niet in geschil tussen partijen, waarmee [eiser] het wettelijk vermoeden in art. 5:36 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) – waarin bepaald is dat in het geval een muur of hek als scheiding tussen twee erven dient, het midden van die muur of dat hek vermoed wordt de grens tussen beide erven te zijn – en dat [gedaagde] als verweer heeft opgevoerd, weerlegd heeft.
4.2.
De vraag die partijen verdeeld houdt is of [gedaagde] door verjaring eigenaar geworden is van de strook. En voor het geval dat niet zo is of [eiser] wegens een onevenredige benadeling van [gedaagde] (art. 5:54 BW Pro) dan wel misbruik van recht (art. 3:13 BW Pro) geen aanspraak kan maken op ontruiming van de strook. De rechtbank zal deze geschilpunten hierna beoordelen.
4.3.
Tussen partijen spelen nog meer kwesties. De beoordeling in dit vonnis beperkt zich echter tot de onderwerpen waarover [eiser] een vordering heeft ingesteld, zodat de rechtbank de andere conflicten/geschillen tussen partijen niet zal bespreken en deze zullen verder geen rol spelen in de beoordeling.
Verjaring
4.4.
Voor verkrijgende of bevrijdende verjaring is noodzakelijk dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] de strook in bezit heeft /hebben (art. 3:99 en Pro 3:105 Burgerlijk Wetboek (BW)). Of sprake is van bezit moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven van art. 3:107 BW Pro. In dit artikel wordt bezit omschreven als het houden van een goed voor zichzelf. Dat betekent dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] de feitelijke macht over de strook uitoefen(t)(en) met de pretentie rechthebbende te zijn. Of sprake is van bezit wordt ingevolge artikel 3:108 BW Pro beoordeeld naar de verkeersopvattingen (met inachtneming van de wet) en naar de uiterlijke feiten. Uit de jurisprudentie volgt dat de bezitter, wat [gedaagde] stelt te zijn, zich zodanig moet gedragen dat het voor de oorspronkelijke eigenaar duidelijk moet zijn dat de bezitter het goed houdt voor zichzelf en pretendeert rechthebbende te zijn.
4.5.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij en haar rechtsvoorgangers de strook in bezit hebben genomen, hetgeen uit de volgende uiterlijke feiten volgt: (i) door het plaatsen van de schutting heeft de rechtsvoorganger van [eiser] de toegang tot de strook vanaf de rest van perceel 76 afgesloten en zich van de strook afgekeerd; (ii) de strook is voor een periode van meer dan twintig jaar alleen nog maar toegankelijk vanaf [perceel 2] , omdat een rechtsvoorganger van [gedaagde] de toegang tot de strook vanaf de steeg aan de achterzijde van de percelen van partijen heeft afgesloten met betonblokken; (iii) de strook is sinds 1978 een integraal onderdeel van de tuin van [perceel 2] en als zodanig ook ingericht; en (iv) de strook is vanaf de zijde van [perceel 2] afgesloten met een lage betonnen schutting.
4.6.
Plaatsen schutting: het plaatsen en vervangen van de schutting op [perceel 1] door [eiser] en zijn rechtsvoorgangers, waarmee de toegang tot de strook vanaf de rest van [perceel 1] belemmerd is, is geen handeling waaruit bezit van [gedaagde] en haar rechtsvoorgangers kan worden afgeleid. Alleen handelingen van [gedaagde] en haar rechtsvoorgangers gericht op uitoefening van feitelijke macht over de strook met de pretentie rechthebbende te zijn, kunnen tot leiden tot bezit. Nu de schutting door een rechtsvoorganger van [eiser] is geplaatst en door [eiser] is vervangen, betreft het geen handelingen van de gebruiker van de strook maar van de (oorspronkelijk) eigenaar. Dat [eiser] en zijn rechtsvoorganger zich met de plaatsing van de schutting hebben ‘afgekeerd van de strook’, zoals door [gedaagde] gesteld, leidt er dus niet toe dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] deze is/zijn gaan bezitten.
4.7.
Afsluiten toegang: verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat een rechtsvoorganger van haar de ruimte tussen de schuur op [perceel 1] en de schuur op [perceel 2] op een gegeven moment met betonblokken heeft afgesloten na een incident waarbij een derde in de achtertuin van [perceel 2] was gekomen. De rechtbank is van oordeel dat deze afsluiting geen feit is waaruit bezit van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] van de strook kan worden afgeleid. Op zichzelf kan het afsluiten van een strook grond met een scheidsmuur worden aangemerkt als een bezitsdaad. In dit geval echter niet, nu, zoals ook kan worden opgemaakt uit het relaas van bevindingen van de erfgrensreconstructie, ter hoogte van de steeg aan de achterzijde van de percelen de afstand tussen de schuur op [perceel 1] en de perceelgrens niet meer is dan tien centimeter. De breedte van de strook is op deze plaats dus te smal om toegang te kunnen krijgen tot de strook en de afsluiting leidt dus niet tot een verandering van de situatie. Weliswaar is met het plaatsen van de betonblokken ook de toegang tot [perceel 2] vanaf de steeg achter de percelen afgesloten, maar dat is geen handeling die gericht is op [perceel 1] . Dit betekent dan ook dat de strook louter door eigen toedoen van de rechtsvoorganger van [eiser] , namelijk door de plaatsing van de schutting, vanaf [perceel 1] ontoegankelijk geworden is. Zoals in vorig randnummer overwogen, kan die afsluiting niet worden aangemerkt als een daad van inbezitneming. Het afsluiten van de doorgang aan de achterzijde van de percelen, kan dan ook om die reden niet worden aangemerkt als een daad van inbezitneming.
4.8.
Integraal onderdeel tuin: het gebruiken en inrichten van de strook als tuin, door deze als zodanig te onderhouden, door de strook te betegelen en/of door er plantenbakken te plaatsen, worden naar vaste rechtspraak niet beschouwd als bezitsdaden. Dat is ook niet het geval als de strook met de achtertuin op [perceel 2] visueel en functioneel een geheel vormen. Deze feiten kunnen dus niet leiden tot bezit van de strook door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] .
4.9.
Betonnen schutting: [gedaagde] heeft nog een verklaring van een bewoner die vanaf 1978 aan de [adres 2] gewoond heeft, in het geding gebracht. Bij deze verklaring is een foto gevoegd van de achtertuin van [perceel 2] waarop ook een betonnen muur zichtbaar is. Deze betonnen muur was niet meer aanwezig toen [gedaagde] eigenaar werd van [perceel 2] . Voor zover [gedaagde] hiermee een beroep heeft willen doen op een bezitsdaad, is de rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] haar stelling onvoldoende onderbouwd heeft nu uit de foto en de verklaring niet kan worden afgeleid hoe deze muur precies liep en of deze (deels) op [perceel 1] geplaatst was. In ieder geval is op de foto niet te zien dat de betonnen schutting aansluit op de schuur van [eiser] , zoals door [gedaagde] gesteld. Dat klemt te meer nu uit de stellingen van [gedaagde] moet worden afgeleid dat de betonnen schutting op een andere plaats stond, dan de in 1986 opgetrokken en in 2025 door [eiser] vernieuwde houten schutting.
4.10.
Nu geen van de gestelde feiten en handelingen kunnen worden aangemerkt als bezitsdaden, is geen sprake van bezit van de strook. Dit betekent dat het beroep op zowel de verkrijgende als de bevrijdende verjaring niet slaagt.
Onevenredige benadeling (art. 5:54, eerste lid, BW)
4.11.
[gedaagde] heeft bij wijze van verweer een beroep gedaan op de regeling in art. 5:54, eerste lid, BW. In dit wetsartikel is bepaald dat in het geval een gebouw of werk op het erf van een ander gebouwd is, en de eigenaar van dat gebouw onevenredig veel zwaarder benadeeld wordt door wegneming dan de eigenaar van het erf door handhaving daarvan, de eigenaar van het gebouw of werk onder voorwaarden een erfdienstbaarheid tot handhaving kan vorderen. [gedaagde] heeft weliswaar geen vordering op de voet van art. 5:54, eerste lid, BW ingesteld, maar zich ter zitting wel bereid verklaard om een erfdienstbaarheid te laten vestigen tegen betaling van een jaarlijkse canon. De rechtbank is echter van oordeel – ook in het geval hiertoe een vordering was ingesteld – dat [gedaagde] geen beroep kan doen op deze regeling.
4.12.
Ten aanzien van de overkapping en pergola overweegt de rechtbank dat deze van hout gemaakt zijn en op een aantal palen rusten. [gedaagde] heeft geen inzicht gegeven in de kosten die zij moet maken om de overkapping in te korten tot aan de erfgrens, ook niet nadat [eiser] al in de dagvaarding heeft aangevoerd dat deze kosten beperkt zijn. Ook heeft [gedaagde] niet toegelicht welke kosten zij moet maken voor het aanpassen dan wel verplaatsen van de pergola. Dat inzicht is wel noodzakelijk om een weging te kunnen maken van het nadeel dat [gedaagde] lijdt. [gedaagde] , die in dezen de stelplicht heeft, heeft haar stelling op dit onderdeel dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.13.
Ten aanzien van de muur is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] geen beroep kan doen op de regeling van art. 5:54, eerste lid, BW. [gedaagde] heeft de muur opgetrokken nadat [eiser] haar erop gewezen heeft dat bij de bouw van de overkapping sprake is van een erfgrensoverschrijding. En ook nadat de advocaat van [eiser] een sommatiebrief heeft gestuurd, waarin zij ook heeft voorgesteld om een erfgrensreconstructie uit te voeren. Deze mededeling en sommatiebrief hadden voor [gedaagde] aanleiding moeten zijn om de bouw van de muur op te schorten. Door desondanks de bouw van scheidsmuur voort te zetten heeft [gedaagde] grove schuld aan het ontstaan van de erfgrensoverschrijding. Onder die omstandigheid komt [gedaagde] , zoals ook bepaald in art. 5:54, derde lid, BW, geen beroep toe op voormelde regeling.
Misbruik van recht (art. 3:13, eerste lid, BW)
4.14.
Ook het beroep van [gedaagde] op misbruik van recht slaagt niet. Bij de beoordeling van dit beroep stelt de rechtbank voorop dat een eigenaar de bevoegdheid heeft zich in rechte te verweren tegen een inbreuk op zijn eigendomsrecht. Dit geldt te meer nu de directe aanleiding voor het instellen van een vordering gelegen is in de werkzaamheden van [gedaagde] , die ondanks het bericht van [eiser] en de sommatiebrief van zijn advocaat, de bouw van de muur heeft voorgezet (zie overwegingen in randnummer 4.13). In dit geval geldt bovendien dat, gezien de afmetingen van de achtertuinen van partijen, sprake is van een relatief grote erfgrensoverschrijding. Verder weegt de rechtbank mee dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat de aanwezigheid van de stenen muur de mogelijkheid om de aanbouw van de woning op [perceel 1] uit te breiden belemmert. Ter zitting heeft [eiser] te kennen gegeven zijn woning op korte termijn in de verkoop te willen zetten, en voldoende toegelicht dat de beperking in de mogelijkheid om de aanbouw uit te breiden de verkoopbaarheid en verkoopwaarde van de woning negatief beïnvloedt. Dit argument geldt overigens ook in het geval [eiser] zijn woning op een later moment op de markt wil brengen. Al deze omstandigheden maken dat [eiser] een rechtens te respecteren belang heeft bij zijn vordering tot ontruiming van de strook, zodat het beroep op misbruik van recht niet slaagt.
Conclusie en proceskosten
4.15.
Geen van de verweren slaagt. Dat betekent dat de strook eigendom is van [eiser] en hem het recht toekomt om een einde te maken aan de inbreuk op zijn eigendomsrecht. De vorderingen 1 en 2 tot een verklaring voor recht worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing bepaald. Ook vordering 3 tot afbraak en ontruiming wordt toegewezen, op de wijze zoals in de beslissing bepaald. Tegen de termijn waarbinnen de afbraak en ontruiming moet plaatsvinden is geen verweer gevoerd. De rechtbank acht deze termijn ook niet onredelijk en deze zal dan ook zoals gevorderd worden toegewezen. In de opstelling van [gedaagde] ziet de rechtbank aanleiding om ook de gevorderde dwangsom, conform de vordering, toe te wijzen.
4.16.
Verder heeft [eiser] gevorderd dat [gedaagde] haar medewerking verleent aan het plaatsen van een schutting op zijn grond. [eiser] heeft echter niet onderbouwd welke medewerking hij van [gedaagde] hierbij nodig heeft. Vordering 4 wordt bij gebrek aan belang afgewezen.
4.17.
Tegen de gevorderde kosten voor de erfgrensreconstructie (€ 540) is geen verweer gevoerd. Dit zijn redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor het vaststellen van de aansprakelijkheid (art. 6:96, tweede lid, aanhef en onder b BW). Vordering 5, onder a, wordt toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen.
4.18.
[gedaagde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [eiser] begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
1.414,00
- salaris advocaat
1.306,00 [1]
- nakosten
189,00 [2]
Totaal
3.054,45
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar op de in de beslissing vermelde wijze.

5.5. De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart voor recht dat de erfgrens tussen de percelen van partijen loopt conform het relaas van bevindingen van de erfgrensreconstructie (zie randnummer 2.8 en bijlage van één pagina bij dit vonnis);
5.2.
verklaart voor recht dat [gedaagde] met de realisatie van de overkapping, de pergola en de muur onrechtmatig heeft gebouwd op de strook en daarmee inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] ;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na betekening van het in dezen te wijzen vonnis al hetgeen [gedaagde] op de strook heeft gebouwd (de overkapping, de pergola en de muur) te laten verwijderen en verwijderd te houden en de strook te ontruimen, op straffe van een dwangsom van € 200 per dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 20.000;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 540, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 3.054,45 te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig, en zonder betekening van het vonnis, aan de veroordelingen in 5.3 en 5.4 voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten, verschuldigd vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
5.7.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen in 5.3, 5.4, 5.5 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad; en
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op
15 juli 2026.

Voetnoten

1.2,0 punt x € 653 (tarief II) = € 1.306,00.
2.En te verhogen met het bedrag in het dictum in geval van betekening van het vonnis.