ECLI:NL:RBDHA:2026:19399
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang asielzoekster wegens schending meldplicht
Verzoekster, een Syrische asielzoekster met subsidiaire bescherming, verbleef in een opvanglocatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Op 23 mei 2026 beëindigde het COA haar opvang wegens het niet naleven van de meldplicht, nadat verzoekster zonder toestemming voor enkele weken naar het buitenland was vertrokken.
Verzoekster stelde beroep in tegen deze beëindiging en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat zij weer toegang tot opvang en de wachtlijst voor huisvesting zou krijgen totdat het beroep inhoudelijk is behandeld. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster een spoedeisend belang had, omdat zij afhankelijk was van de goedheid van derden voor onderdak en eten, geen inkomen had en geen toegang tot medicatie.
Hoewel het COA stelde dat de regels omtrent meldplicht nageleefd moeten worden en verzoekster hiervoor was gewaarschuwd, vond de voorzieningenrechter dat de belangen van verzoekster zwaarder wogen. Verzoekster verbleef ruim twee jaar in de opvang, had zich goed gedragen en had een gegronde reden voor haar vertrek naar het buitenland, namelijk de zorg voor een ziek familielid. De voorlopige voorziening werd daarom toegewezen, met als gevolg dat verzoekster weer opvangvoorzieningen krijgt en op de wachtlijst wordt geplaatst. Tevens werd het COA veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de opvang van verzoekster wordt hervat en zij op de wachtlijst voor huisvesting wordt geplaatst.