ECLI:NL:RBDHA:2026:19392

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37026
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.6, tweede lid, VbArt. 5.7, eerste en tweede lid, VbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000 ongegrond verklaard

Eiser, van Turkse nationaliteit, voerde aan rechtmatig verblijf te hebben in Italië in afwachting van zijn asielprocedure aldaar. De rechtbank stelde echter vast dat het rechtmatig verblijf in Italië op 11 mei 2026 was geëindigd, hetgeen door de overgelegde documenten werd bevestigd.

Verweerder legde aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op meerdere gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het niet naleven van een vertrekplicht uit de EU, en onvoldoende medewerking aan het vaststellen van identiteit en nationaliteit.

Eiser betwistte de gronden van de maatregel niet inhoudelijk. De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren en dat één grondslag voldoende is om de maatregel te dragen. Er waren geen feiten of omstandigheden die de maatregel onrechtmatig maakten.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37026

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Willems).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw [1] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1992.
Verblijfsrecht in Italië
2. Eiser voert allereerst aan dat hij rechtmatig verblijf heeft in Italië in afwachting van zijn asielprocedure daar. Ter onderbouwing van het rechtmatig verblijf in Italië heeft eiser diverse documenten overgelegd, onder meer foto’s van een Italiaanse identiteitskaart en zijn in Italië ingediende asielaanvraag.
3. Eiser wordt hierin niet gevolgd. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 mei 2026 vastgesteld dat uit het dossier volgt dat het rechtmatige verblijf in Italië op 11 mei 2026 is geëindigd. [2] De rechtbank ziet op basis van de overgelegde documenten geen aanleiding om anders te oordelen.
Maatregel van bewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vw. In de maatregel heeft verweerder overwogen dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (b-grond). In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld [3] dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Ook heeft verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring overwogen dat eiser (1) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag alleen heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (c-grond).
6. Verweerder heeft ter zitting de grond h laten vallen en de overige gronden gehandhaafd.
7. Voor de a- en b-grond is het voldoende als zich ten minste twee van de gronden uit artikel 5.6, tweede lid, Vb voordoen. [4] Eiser heeft de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden in de maatregel feitelijk juist zijn en voor zo ver nodig ook voldoende gemotiveerd zijn en de maatregel kunnen dragen.
8. Gelet op het voorgaande hoeft de rechtbank niet meer te beoordelen of de maatregel van vreemdelingenbewaring ook kan worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eén vreemdelingenbewaringsgrondslag is namelijk voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring op te kunnen baseren.
Ambtshalve toets
9. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Dit volgt uit artikel 5.7, eerste en tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.