ECLI:NL:RBDHA:2026:19386

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
09-170805-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 SrArt. 359a SvArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewapende overval op juwelier met toewijzing schadevergoeding

Op 12 maart 2025 vond een gewapende overval plaats op juwelier Lucardi in Den Haag waarbij drie jongens sieraden en geld meenamen onder bedreiging met een vuurwapen en het vernielen van vitrines met hamers. Twee daders werden aangehouden, de derde, verdachte, werd later geïdentificeerd en gearresteerd.

De verdediging voerde onder meer onrechtmatigheid van het binnentreden van de woning en bewijsuitsluiting aan, maar de rechtbank oordeelde dat de politie rechtmatig handelde en het bewijs, waaronder glasdeeltjes op schoenen van de verdachte, overtuigend was. De verdachte ontkende betrokkenheid, maar het NFI-onderzoek weerlegde alternatieve verklaringen.

De rechtbank verklaarde de verdachte schuldig aan diefstal met geweld in vereniging en veroordeelde hem tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. Tevens werd een schadevergoeding van €2.553,92 aan het slachtoffer toegekend, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en schadevergoeding van €2.553,92 aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-170805-25
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte)
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 september 2025, 19 januari 2026 (alle pro forma) en 22 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.M.P. van Eijsden naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 maart 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, diverse sieraden en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Juwelier Lucardi ( [filiaal] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te
richten op/in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
- daarbij de woorden te roepen "Geld, geld, kassa, kassa" en/of
- te roepen/zeggen: "Geef geld" en/of "Maak de kassalade open" en/of "Heb je geen kluis" en/of
- ( meermalen) met (een) hamer(s) de vitrines kapot te slaan.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op 12 maart 2025 heeft in Den Haag een gewapende overval op de juwelier Lucardi, gevestigd aan de [straatnaam] in Den Haag, plaatsgevonden. Rond sluitingstijd kwamen drie jongens de winkel binnen. Eén van hen dreigde direct na binnenkomst met een vuurwapen, richtte dit op de medewerkers en eiste geld uit de kassalade. De andere twee jongens sloegen met hamers meerdere vitrines kapot om de hierin gelegen sieraden te kunnen pakken en in tassen te doen. Uiteindelijk verlieten zij gezamenlijk de winkel met geld en sieraden. Twee van de drie jongens werden kort na de overval in de omgeving van de juwelier Lucardi aangehouden. De derde jongen wist te ontkomen.
Naar aanleiding van deze overval is een opsporingsonderzoek gestart. In dit kader deed het onderzoeksteam onderzoek naar de identiteit van de derde jongen. Naar aanleiding van een tip van een informant bij het Team Openbare Orde Inlichtingen (TOOI) van de eenheid Den Haag is de verdachte in beeld gekomen als mogelijke betrokkene bij de overval.
Op 3 juni 2025 is de verdachte door de politie Zeeland-West-Brabant aangehouden in verband met een andere verdenking. Diezelfde dag zijn een politieambtenaar van de politie Zeeland-West-Brabant, vergezeld door een politieambtenaar van de politie Den Haag, naar de woning van de verdachte gegaan en zijn zij de woning binnengetreden. In de hal zag één van de politieambtenaren een paar schoenen in een openstaande schoenenkast die volgens haar overeenkwamen met de schoenen van de derde jongen op de camerabeelden van de overval. Door deze politieambtenaar werden vervolgens foto’s van de schoenen gemaakt. De verdachte is daarna op verdenking van de gewapende overval aangehouden.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft - op in de pleitnota weergegeven gronden - namens de verdachte vrijspraak bepleit.
Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsvrouw zal hierna, voor zover relevant, nader
worden ingegaan.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Het oordeel van de rechtbank
3.5.1.
Geen vormverzuim ex artikel 359a Sv
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de politie geen toestemming had om de woning van de verdachte binnen te treden. Volgens de verdediging is hiervoor geen enkele keer expliciet toestemming gevraagd. De moeder van de verdachte opende de deur uit gewoonte. De verdediging meent dat dit niet als toestemming kon worden gezien. De verbalisanten hadden bovendien moeten nagaan of de moeder hen wel voldoende begreep, nu zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is. De verdediging stelt zich daarnaast op het standpunt dat op onrechtmatige wijze foto’s in de woning zijn genomen door de politie. Verbalisant [verbalisant] die haar collega uit Zeeland vergezelde en die de foto’s heeft gemaakt, was betrokken bij het onderzoek naar de overval op de juwelier en bevond zich onder valse voorwendselen in de woning. Daarbij zijn de regels voor doorzoeking van een woning omzeild, nu er op dat moment nog onvoldoende verdenking was tegen de verdachte. Dit levert volgens de verdediging een inbreuk op het recht op een eerlijk proces op. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat er onverklaarbare tegenstrijdigheden zijn tussen de verklaringen van de twee betrokken verbalisanten over het onderlinge contact voorafgaand aan het bezoek aan de woning en over wat zich in de woning heeft afgespeeld.
Dit alles zou volgens de verdediging moeten leiden tot de conclusie dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Strafvordering (hierna: Sv). De geschonden voorschriften, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt zijn volgens de verdediging zodanig dat de schoenen en het daaruit voortvloeiend bewijs, waaronder het NFI-onderzoek, niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, met als gevolg dat de verdachte, wegens onvoldoende ander bewijs, moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank
Om vast te stellen of sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, zal de rechtbank eerst de feitelijke gang van zaken, die zij uit het dossier afleidt, weergeven.
De verbalisanten zijn, in het kader van zorg en uit tactische overwegingen, op 3 juni 2025 naar de woning van de verdachte gegaan. Zij hebben bij de woning aangebeld, waarna via de intercom een gesprek heeft plaatsgevonden met de moeder van de verdachte. De verbalisanten hebben zich daarbij kenbaar gemaakt als politie en aangegeven dat zij haar wilden spreken over haar zoon. Vervolgens heeft de moeder de deur elektronisch geopend, waarna de verbalisanten de hal zijn binnengetreden. Bij het betreden van de hal zag verbalisant [verbalisant] een deur van een kamer/kast openstaan en zag zij in een schoenenrek een paar schoenen staan die overeenkwamen met de schoenen van de derde verdachte in het onderzoek. Zij heeft vervolgens foto’s van deze schoenen gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten rechtmatig de woning zijn binnengetreden. De moeder van de verdachte heeft, nadat zij had begrepen dat de politie voor de deur stond en dat zij haar over haar zoon wilden spreken, de deur geopend. Daarmee heeft zij toestemming verleend voor het binnentreden van de woning. Nu de verbalisanten rechtmatig toegang tot de woning hadden verkregen, waren zij bevoegd tot zogenoemd “zoekend rondkijken”. Dat verbalisant [verbalisant] mede uit tactische overwegingen haar collega uit een andere politieregio bij het bezoek vergezelde, maakt dat niet anders.
De rechtbank constateert dat verbalisant [verbalisant] bij binnenkomst in de hal door de openstaande deur van een recht tegenover de voordeur gelegen kamer/kast direct zicht had op het schoenenrek waarin zich de betreffende schoenen bevonden. De moeder van de verdachte heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat de deur van deze kast altijd openstaat.
De rechtbank is van oordeel dat het maken van foto’s van de schoenen onder deze omstandigheden valt binnen de reikwijdte van zoekend rondkijken en dat geen sprake is geweest van een doorzoeking waarvoor een voorafgaande machtiging vereist zou zijn geweest. Voorts overweegt de rechtbank dat de verdachte door het maken van de foto’s geen nadeel heeft geleden, aangezien de schoenen, ook als daarvan geen foto’s waren gemaakt, nadat zij door de verbalisant waren gezien, hoe dan ook in beslag zouden zijn genomen.
Hoewel de verklaringen van de verbalisanten niet op alle onderdelen volledig op elkaar aansluiten, acht de rechtbank dit niet van doorslaggevend belang. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de vraag of sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim de gang van zaken rond de ontdekking van het betreffende paar schoenen van belang en niet wat er daarna in de woning heeft plaatsgevonden.
Van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het verweer wordt verworpen.
3.5.2.
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de schoenen als het signalement van de overvaller niet definieerbaar genoeg zijn om als bewijsmiddel te dienen en aan te tonen dat het de verdachte is die de overval heeft gepleegd. Daarnaast meent de verdediging dat de resultaten van het onderzoek naar de historische telefoongegevens van de telefoon van de verdachte buiten beschouwing dienen te worden gelaten, nu zich in het dossier geen machtiging van de rechter-commissaris bevindt voor het opvragen van deze gegevens. Voorts heeft de verdediging naar voren gebracht dat het glasonderzoek door het NFI te algemeen is om als belastbaar bewijs te zien, omdat niet met zekerheid kan worden aangegeven dat het glas dat is aangetroffen ook het glas is afkomstig van de juweliersoverval. Indien wordt uitgegaan van het scenario dat het glas van de schoenen wel afkomstig is van de plaats delict, dient er rekening mee te worden gehouden dat er naar alle waarschijnlijkheid secundaire overdracht heeft plaatsgevonden. Het alternatieve scenario is dat de verdachte glasscherven op en onder zijn schoenen heeft gekregen na de overval doordat hij in die winkelstraat heeft gelopen.
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan door de verdediging is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde overval heeft gepleegd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Vast staat dat de twee medeverdachten tijdens de overval op de Lucardi aan de [straatnaam] meerdere vitrinekasten kapot hebben geslagen met hamers om de hierin gelegen sieraden te kunnen pakken. De politie heeft van de vijf gebroken vitrinekasten referentieglas veiliggesteld.
De in de woning van de verdachte in beslag genomen schoenen, waarvan de verdachte heeft bevestigd dat deze van hem zijn, zijn onderzocht door de Dienst Forensische Opsporing. Daarop zijn in de zool van de rechterschoen twee op glas gelijkende deeltjes aangetroffen. De veiliggestelde glasdeeltjes zijn vervolgens door het NFI onderzocht. Daarnaast heeft het NFI de schoenen zelf opnieuw onderzocht, waarbij nog eens een groot aantal op glas gelijkende sporen is veiliggesteld.
Het NFI heeft het referentieglas afkomstig van de vernielde vitrinekasten van de Lucardi, vergeleken met op de schoenen aangetroffen glasdeeltjes en glassporen. Daarbij heeft het NFI onderscheid gemaakt tussen twee typen referentieglas afkomstig van de Lucardi. Het referentieglas [AASP8972NL] is specifiek afkomstig van de ‘vitrine diamant’. Het overige referentieglas is niet onderling onderscheidbaar (en dus niet te koppelen aan een specifieke vitrine) en is aangeduid als ‘groep 1’.
Van de twee door de Forensische Opsporing op glas lijkende delen komt één van de twee veiliggestelde glassporen overeen met het referentieglas van de Lucardi (groep 1).
Uit de schoenen zijn door het NFI meer dan honderd op glas gelijkende sporen veiliggesteld. 12 van deze sporen zijn aangetroffen in/op de zolen van de schoenen en circa 100 in het stofmonster dat werd verkregen door middel van het uitkloppen van de schoenen. Van deze sporen zijn er respectievelijk 11 en 32 sporen in onderzoek genomen. Van de 11 glassporen in/op de zolen komt 1 glasspoor overeen met referentieglas van de vitrine diamant en komen er 6 overeen met het referentieglas van groep 1. Van de 32 glassporen uit de schoenen komen er 23 overeen met het referentieglas van groep 1.
Het NFI concludeert dat één van de twee door de Forensische Opsporing veiliggestelde glassporen overeenkomt met het referentieglas. Qua bewijskracht geldt hiervoor dat de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek veel waarschijnlijker zijn (de twee na hoogste bewijskracht met een ordergrootte van 100 tot 10.000 maal waarschijnlijker) wanneer de hypothese 1, dat één of meer van de onderzochte vlakglassporen afkomstig zijn van de gebroken ruit(en) waar is, dan wanneer de hypothese 2 dat alle onderzochte vlakglassporen afkomstig zijn van (een) willekeurig andere ruit(en) waar is. Daarnaast concludeert het NFI dat overige op en in de schoen(zol)en aangetroffen glassporen (11 sporen in/op de zolen en 23 sporen uit het stofmonster) overeenkomen met het referentieglas. Hiervoor geldt dat de uitkomsten van het vergelijkend glasonderzoek “zeer veel waarschijnlijker” (de een na hoogste bewijskracht met een ordergrootte van 10.000 tot 1 miljoen maal waarschijnlijker) zijn wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer de hypothese 2 waar is. De rechtbank concludeert hieruit dat onder de in beslag genomen schoenen glasdeeltjes en glassporen zijn aangetroffen die afkomstig zijn van de vernielde vitrinekasten van de Lucardi.
De verdachte ontkent alle betrokkenheid bij de juweliersoverval. De glasdeeltjes zouden, zo is door en namens de verdachte aangevoerd, onder de schoenen kunnen zijn gekomen doordat de verdachte op een ander moment door het glas is gelopen.
De rechtbank gaat voorbij aan de alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van de aangetroffen glassporen onder de schoenen van de verdachte. De deskundige van het NFI heeft bij de rechter-commissaris toegelicht dat naar zijn inschatting de aangetroffen verhoudingen en aantallen glassporen in de schoenen van de verdachte niet passen bij het willekeurig aantreffen van glas (secundaire overdracht). De rechtbank schuift op basis van het voorgaande het scenario van secundaire overdracht als onaannemelijk terzijde.
De resultaten van het onderzoek naar de historische telefoongegevens van de telefoon van de verdachte heeft de rechtbank niet gebruikt voor het bewijs zodat dit verweer van de raadsvrouw van de verdachte onbesproken kan blijven.
Conclusie
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich samen met twee anderen schuldig heeft gemaakt aan de gewapende overval, gepleegd op 12 maart 2025 bij de Lucardi in Den Haag.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 12 maart 2025 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, diverse
sieraden en een geldbedrag,
toebehorendeaan Juwelier Lucardi ( [filiaal] ),
heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze
diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1]
en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door:
- dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en
- daarbij de woorden te roepen “Geld, geld, kassa, kassa” en
- te roepen: “Geef geld” en “Maak de kassalade open” en “Heb je geen kluis” en
- meermalen met hamers de vitrines kapot te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat geen noodzaak bestaat voor de oplegging van een voorwaardelijke straf, nu alles goed gaat in het leven van de verdachte en hulpverlening niet nodig wordt geacht. Daarnaast heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de acht maanden elektronische monitoring die de verdachte heeft gehad. Tot slot heeft de verdediging naar voren gebracht dat het vormverzuim tot strafvermindering dient te leiden, voor zover dit niet reeds heeft geleid tot bewijsuitsluiting.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met twee medeverdachten op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een juwelier in Den Haag. De verdachten zijn, met capuchons op en gezichtsbedekkende kleding, de winkel binnengegaan. Vervolgens heeft de verdachte een winkelmedewerker onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen de kassalade te openen. De medeverdachten hebben op een zeer intimiderende wijze en met fors geweld meerdere vitrines met hamers vernield en daaruit sieraden weggenomen.
Door het handelen van de verdachten hebben de slachtoffers van de overval zich ernstig
bedreigd en onveilig gevoeld. Een gewelddadige overval vormt voor de slachtoffers een
zeer traumatische ervaring, waarvan de gevolgen langdurig kunnen zijn. Dit blijkt onder
meer uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Naar aanleiding van de overval heeft het slachtoffer psychische klachten ontwikkeld, waarvoor zij nog steeds EMDR-behandelingen volgt en zij heeft studievertraging opgelopen. Dergelijke misdrijven hebben een grote impact op de directe slachtoffers en veroorzaken daarnaast onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij onvoldoende heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen en dit ernstige feit heeft begaan voor financieel gewin.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 mei 2026, waaruit blijkt dat de hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Gelet hierop zal het strafblad niet als een strafverhogende omstandigheid worden aangemerkt.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 11 december 2025, waaruit volgt dat hij afsprakentrouw is en zijn schorsingsvoorwaarden nakomt. Voorts zijn uit het onderzoek geen problemen op praktisch gebied naar voren gekomen. De verdachte heeft een fulltime baan en staat ingeschreven voor een opleiding. Daarnaast is er volgens de reclassering geen sprake van schulden-, middelen- of psychische problematiek en lijkt de verdachte een steunend (familie)netwerk te hebben.
Bij een veroordeling acht de reclassering voortzetting van het reclasseringstoezicht aangewezen, omdat het zorgelijk is dat de verdachte wordt verdacht van het onderhavige ernstige geweldsdelict, terwijl zijn leven op meerdere leefgebieden stabiel lijkt. Door de proceshouding van de verdachte heeft de reclassering geen zicht kunnen krijgen op de mogelijke criminogene factoren. Een financieel motief en de invloed van een negatief sociaal netwerk kunnen niet worden uitgesloten. Tijdens het reclasseringstoezicht zal aandacht worden besteed aan deze risicofactoren, evenals aan het behoud van de bestaande stabiliteit in het leven van de verdachte. Bij een veroordeling adviseert de reclassering oplegging van een voorwaardelijke straf met daaraan verbonden de navolgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een contactverbod met de medeverdachten, de verplichting tot het hebben van een passende dagbesteding en de verplichting tot het geven van inzicht in zijn financiën.
Tot slot adviseert de reclassering op basis van het wegingskader adolescentenstrafrecht tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. In eerdere rapportages werd voorlopig toepassing van het jeugdstrafrecht geadviseerd, gelet op het feit dat de verdachte een first offender is en thuis woont. Op basis van het relaas van de verdachte lijkt hij in enige mate ontvankelijk te zijn voor pedagogische beïnvloeding. De reclassering heeft echter de familie van de verdachte niet mogen spreken, waardoor hierover geen volledig beeld bestaat. De reclassering ziet thans voldoende aanwijzingen voor toepassing van het volwassenenstrafrecht. De verdachte lijkt zijn leven grotendeels zelfstandig te kunnen inrichten, hoewel hij daarbij soms gemotiveerd moet worden. Daarnaast komt hij leeftijdsadequaat over en wordt geen noodzaak gezien tot gezinsgerichte hulpverlening dan wel jeugdinterventies. Hoewel de verdachte nog geen startkwalificatie heeft behaald en hij zich opnieuw heeft ingeschreven voor school, acht de reclassering de voortzetting van de schoolgang niet noodzakelijk gezien hoe hij zijn leven momenteel heeft vormgegeven.
Toepassing van het jeugd-of volwassenenstrafrecht?
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren, maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte was 19 jaar oud toen hij het bewezen verklaarde feit pleegde. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. De vraag is of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit het reclasseringsrapport volgt dat de verdachte leeftijdsadequaat overkomt, zijn leven grotendeels zelfstandig lijkt te kunnen inrichten en dat geen noodzaak wordt gezien tot gezinsgerichte hulpverlening dan wel jeugdinterventies. De reclassering heeft daarom geadviseerd om de verdachte volgens het volwassenenstrafrecht te berechten.
Alles afwegende ziet de rechtbank, gelet op wat daarover door de reclassering is gerapporteerd en het ASR-wegingskader, geen (doorslaggevende) grond voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het volwassenenstrafrecht.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het oriëntatiepunt voor een winkeloverval bedraagt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren bij “licht geweld” en drie jaren bij “ander geweld”. Als omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting worden onder andere genoemd de omvang van de schade en het gebruik van een wapen/voorwerp en soort wapen/voorwerp.
In dit geval acht de rechtbank strafverzwarend dat de verdachte tijdens de overval heeft gedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en dat hij deze overval samen met anderen heeft gepleegd. Als strafverzwarend weegt de rechtbank verder mee dat hij een leidende rol heeft vervuld, doordat hij de benodigdheden voor de overval aan de medeverdachten heeft verstrekt en als eerste de winkel is binnengegaan.
In strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 15 augustus 2025 is geschorst en dat hij zich tijdens deze periode goed aan zijn schorsende voorwaarden heeft gehouden. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in het kader van de schorsingsvoorwaarden lange tijd huisarrest met een enkelband heeft gehad en de belasting die die maatregel meebrengt. Tot slot weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat het goed met hem gaat en hij zijn leven op de rit heeft.
Gelet op de ernst van het feit en wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren, passend en noodzakelijk.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van die straf de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De verdachte is schijnbaar uit het niets, zonder justitiële voorgeschiedenis, betrokken geraakt bij een gewapende winkeloverval. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat de reclassering ook na de detentie bij de verdachte betrokken blijft.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 2] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Korff, heeft zich als benadeelde
partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade
een bedrag van € 10.553,92, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op
€ 53,92 aan materiële schade en € 10.500,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van
de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het materiële gedeelte kan worden toegewezen. Ten aanzien van het immateriële gedeelte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Bij een bewezenverklaring heeft de verdediging verzocht het immateriële gedeelte van de vordering in ieder geval te matigen tot een bedrag € 2.500,-, zoals ook ten aanzien van de medeverdachten is gebeurd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de
benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter
grootte van het gevorderde bedrag van € 53,92 aan reiskosten. De rechtbank zal de materiële
schade dan ook in zijn geheel toewijzen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de
benadeelde partij immateriële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen
verklaarde feit.
Uit de toelichting op de vordering en de ter terechtzitting voorgedragen
slachtofferverklaring blijkt dat het incident een grote impact op de benadeelde partij heeft gehad en dat zij daarvan ook nu nog de gevolgen ondervindt. Daarbij weegt mee dat de benadeelde partij binnen een periode van één jaar tweemaal slachtoffer is geworden van een gewapende winkeloverval. Zij is gediagnosticeerd met PTSS en ondergaat hiervoor EMDR-therapie. De rechtbank houdt voorts rekening met de angstige situatie die door toedoen van de verdachte is ontstaan, zoals blijkt uit de camerabeelden. Uit de toelichting van de regiebehandelaar bij het verzoek tot schadevergoeding volgt dat de benadeelde partij tot oktober 2024 enkele EMDR-sessies heeft gehad met goed resultaat, maar dat zij zich in april 2025 weer opnieuw heeft aangemeld, nadat zij in maart 2025 wederom was overvallen. Zij had een terugval, waarna de EMDR-behandelingen verder zijn opgepakt. De rechtbank concludeert hieruit dat de klachten waarvoor het slachtoffer psychologische behandeling ontvangt, het gevolg zijn van zowel een eerdere overval als het onderhavige bewezen verklaarde feit. In aanmerking genomen de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, acht de rechtbank van de gevorderde immateriële schadevergoeding een bedrag van € 2.500,- toewijzen. Voor het overige zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Totaal toegewezen
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 2.553,92, bestaande uit € 53,92 als vergoeding van materiële schade en € 2.500,- als
vergoeding van immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 maart 2025,
omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de
kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft
gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de
verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden
toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de
verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft
betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde
partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor
de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor
dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen
tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.553,92, vermeerderd met de gevorderde
wettelijke rente daarover vanaf 12 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is
voldaan, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] .

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen telefoon en schoenen kunnen worden geretourneerd aan de verdachte.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen voorwerpen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten de telefoon en schoenen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen
personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,
terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
30 (DERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op
74 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
2. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media contact zal opnemen, zoeken of hebben met;
de slachtoffers
- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2002;
- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2003;
de medeverdachten
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 4] 2005;
- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 5] 2005;
zolang de reclassering en het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk achten;
3. zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van scholing, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
4. gedurende de proeftijd inzicht geeft in zijn financiën aan de reclassering;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk
toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 2.553,92 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag van € 2.553,92, bestaande uit € 53,92 als vergoeding van materiële schade en € 2.500.-, als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders aan de
benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke
rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de
tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot
schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de
benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 2.553,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening,
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag van € 2.553,92,- ten behoeve van [slachtoffer 2] niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn
mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en
omgekeerd;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan de verdachte de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten:
1
1. STK Schoenen
(Omschrijving: PL1500-2025079957-3335883, Zwart, merk: New Balance)
2
1. STK Telefoonautomaat
(Omschrijving: PL1500-2025182371-3336924, Zilver, merk: Apple Iphone 16 pro).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, voorzitter,
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter,
en mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2026.