ECLI:NL:RBDHA:2026:19381

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/4398
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 1.6 OmgevingswetArt. 1.7 OmgevingswetArt. 1.7a Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot preventief handhavend optreden tegen opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Verzoekers hebben het college van burgemeester en wethouders van Den Haag gevraagd preventief handhavend op te treden tegen de opvang van 45 alleenstaande minderjarige vreemdelingen in een pand in Den Haag. Het college wees dit verzoek af, waarna verzoekers een voorlopige voorziening vroegen bij de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het pand nagenoeg gereed is en ingebruikname op korte termijn zal plaatsvinden, waardoor sprake is van een spoedeisend belang. Het college stelt dat het gebruik van het pand past binnen de bestemming 'Gemengd-3', met functies 'wonen' en 'maatschappelijk'. Verzoekers betogen dat het gebruik niet past binnen 'wonen' vanwege de beperkte verblijfsduur en intensieve begeleiding, en ook niet binnen 'maatschappelijk'.

De voorzieningenrechter volgt het college en stelt dat het verblijf van de jongeren voldoende bestendig is en sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. De begeleiding is niet zodanig dat het zelfstandige karakter wordt weggenomen. Ook is geen sprake van een klaarblijkelijk dreigende overtreding van het bestemmingsplan of van de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet. De zorgen over overlast en brandveiligheid zijn onvoldoende onderbouwd.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, en blijft het besluit van het college in stand. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep of verzet toe.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen wordt afgewezen omdat geen klaarblijkelijk dreigende schending van het bestemmingsplan is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4398

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekers] e.a., te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. T.W.S. Mol),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), te Den Haag.
(gemachtigden: mr. R. Bassie en mr. J.W. Heller).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van een verzoek om preventief handhavend op te treden tegen de opvang van 45 alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het pand aan de [adres] in Den Haag. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Wat verzoekers hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit bij de heroverweging in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 25 februari 2026 hebben verzoeksters het college verzocht preventief handhavend op te treden tegen de opvang van 45 alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het pand aan de [adres] in Den Haag.
2.1.
Met het bestreden besluit van 24 maart 2026 heeft het college dit handhavingsverzoek afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers hebben nadere stukken overgelegd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, vergezeld door
[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 4] en [naam 5] en de gemachtigden van het COA, vergezeld door [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zich zonder het treffen van een voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
3.1.
Vast staat dat het pand nagenoeg gereed is en dat ingebruikname hiervan op zeer korte termijn is voorzien. Gelet hierop en gezien de breed gedragen zorgen die leven onder omwonenden van het pand, acht de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang aanwezig.
Bestreden besluit
4. Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen, omdat in zijn optiek geen sprake is van een dreigende overtreding. Volgens het college past het voorziene gebruik van het pand binnen de hierop rustende bestemming “Gemengd-3”. Die bestemming staat onder meer de functies “wonen” en “maatschappelijk” toe. Primair stelt het college zich op het standpunt dat de huisvesting van vreemdelingen zoals die in het pand is voorzien, is toegestaan binnen de functie “wonen”. Subsidiair is het college van mening dat ook de functie “maatschappelijk” de ingebruikname van het pand mogelijk maakt, nu binnen deze functie onder andere welzijnsinstellingen zijn toegestaan. Tot slot levert het voorziene gebruik van het pand volgens het college ook geen strijd op met de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet.
Gronden van het verzoek
5. Verzoekers betogen dat sprake is van een dreigende overtreding waartegen het college handhavend dient op te treden. Zij voeren hiertoe in de eerste plaats aan dat het bestemmingsplan het voorgenomen gebruik van het pand niet toestaat. Het gebruik van het pand voor het huisvesten van alleenstaande minderjarige vreemdelingen past volgens hen niet binnen de toegestane functie “wonen”. Verzoekers stellen dat de voor ‘wonen’ vereiste bestendigheid van het verblijf ontbreekt, nu de jongeren slechts een beperkte periode in het pand zullen verblijven en zij hieruit in ieder geval dienen te vertrekken bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd. Bovendien zal volgens verzoekers geen sprake zijn van zelfstandige bewoning, gelet op de intensieve begeleiding die de jongeren zullen ontvangen.
Het voorziene gebruik van het pand valt volgens verzoekers evenmin onder de functie “maatschappelijk”. Zij wijzen erop dat op grond van de planregels binnen deze functie
– voor zover hier van belang – ruimte wordt geboden aan welzijnsinstellingen. Dat begrip is volgens verzoekers in de planregels verder vernauwd tot ‘voorzieningen op het gebied van maatschappelijk welzijn’. Daaraan voldoet de voorziene huisvesting volgens verzoekers niet.
Tot slot voeren verzoekers aan dat sprake is van een dreigende overtreding van de zorgplichten uit de artikelen 1.6 tot en met 1.7a van de Omgevingswet. Verzoekers stellen dat het pand gelet op zijn omvang en locatie niet geschikt is voor het huisvesten van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Het pand is volgens verzoekers te klein en heeft een te beperkte buitenruimte, wat zal leiden tot een huisvestingssituatie met te weinig privacy en teveel prikkels voor de bewoners. Verzoekers vrezen dat de jongeren daarom snel de openbare ruimte zullen opzoeken. Gelet op de locatie van het pand in een dichtbevolkte woonwijk zonder geschikte recreatiemogelijkheden, nabij een druk verkeerspunt en in de directe omgeving van drie basisscholen, zal dit volgens verzoekers tot hinder en overlast leiden. Zij vragen in dit verband ook aandacht voor de samenstelling van de groep alleenstaande minderjarige vreemdelingen, die zal bestaan uit alleenstaande mannelijke pubers en jongvolwassenen met – volgens verzoekers – specifieke ontwikkelingsbehoeften. Onder verwijzing naar informatie van onder meer het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, stellen verzoekers dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen in opvangcentra oververtegenwoordigd zijn bij incidenten en strafbare feiten en dat zij regelmatig betrokken raken bij criminele netwerken. Het opvangen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen op deze locatie, leidt volgens verzoekers daarom tot een verhoogd risico op overlast, intimidatie en geweldsincidenten. Volgens verzoekers zijn er goede alternatieve locaties beschikbaar. Dat het college desondanks voor opvang in dit pand heeft gekozen, levert volgens verzoekers een overtreding op van de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet.
Omvang van de beoordeling door de voorzieningenrechter
6. Een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigt. [1] Dat is het geval als de overtreding zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen. [2] In deze zaak dient daarom te worden beoordeeld of het college zich naar voorlopig oordeel terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een klaarblijkelijk dreigende overtreding. Meer concreet betekent dit – gelet op de gronden die verzoekers naar voren hebben gebracht – dat beoordeeld moet worden of het voorziene gebruik van het pand in strijd is met de bestemming die op het pand rust of met een algemene zorgplicht uit de Omgevingswet.
Toetsingskader
7. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
7.1.
Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij die wet gedefinieerd als:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan;
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
7.2.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Den Haag (het omgevingsplan).
7.3.
Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Dat is in dit geval het bestemmingsplan “Archipelbuurt e.o.”. Het pand heeft hierin de bestemming “Gemengd-3”.
7.4.
Op grond van artikel 6.1 van de regels van het bestemmingsplan zijn de voor “Gemengd-3” aangewezen gronden bestemd voor:
wonen;
kantoor;
dienstverlening;
maatschappelijk waaronder worden verstaan gezondheidszorg, praktijkruimten, kinderopvang, openbare dienstverlening, verenigingsleven, culturele voorzieningen en welzijnsinstellingen.
Is sprake van strijd met het bestemmingsplan?
De functie “wonen”
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het begrip ‘wonen’ in de planregels niet nader is gedefinieerd. Ook uit de plansystematiek of de toelichting bij het bestemmingsplan volgt niet wat de planwetgever hieronder precies verstaat. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), moet in dat geval voor de uitleg van het begrip ‘wonen’ aansluiting worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. Uit de rechtspraak volgt dat in het algemeen spraakgebruik onder ‘wonen’ diverse uiteenlopende vormen van huisvesting dienen te worden begrepen. Het begrip ‘wonen’ impliceert wel enige bestendigheid. [3] De voorzieningenrechter leidt uit de rechtspraak ook af dat sprake dient te zijn van nagenoeg zelfstandige bewoning. [4]
8.1.
Het college en het COA hebben op de zitting onweersproken bevestigd dat de verblijfsduur van de alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het pand doorgaans tussen 12 en 24 maanden zal zijn. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bewoners van het pand geen hoofdverblijf elders hebben, heeft het college naar voorlopig oordeel mogen aannemen dat het verblijf van de jongeren in het pand voldoende bestendig is. [5] Dat sprake is van een min of meer vaststaande einddatum van de bewoning omdat de jongeren het pand kort na hun achttiende verjaardag moeten verlaten, doet hieraan niet af.
Daarnaast heeft het college naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht aangenomen dat in voldoende mate sprake is van zelfstandige bewoning. De alleenstaande minderjarige vreemdelingen verblijven met maximaal vier personen op een kamer en moeten zelf koken, schoonmaken, wassen en de hiervoor benodigde boodschappen doen. Overdag bezoeken de jongeren een school buiten het pand. Weliswaar is begeleiding en ondersteuning aanwezig in het pand, maar die is er naar voorlopig oordeel niet op gericht om de jongeren in wezenlijk opzicht te ontlasten van de verplichtingen en verantwoordelijkheden die verband houden met hun zelfstandige verblijf in het pand. Evenmin wordt aan de jongeren in het pand medische zorg aangeboden of wordt dagbesteding verzorgd. Het betreft in hoofdzaak begeleiding van de jongeren bij hun maatschappelijke activiteiten. Die begeleiding wordt geboden door medewerkers van Zorg & Perspectief, waarbij overdag één begeleider per 10 jongeren aanwezig is. De begeleiders bieden de jongeren enige structuur in het dagelijks leven, bijvoorbeeld door hen te stimuleren tijdig op te staan, naar school te gaan en gemaakte afspraken na te komen. Vanwege de taalbarrière ondersteunen de begeleiders de jongeren bij het maken van afspraken met instanties, waarna de jongeren deze afspraken zelfstandig bezoeken. De begeleiders helpen hen verder met het vinden van een bijbaan of vrijwilligerswerk, taallessen of sport. Naar voorlopig oordeel heeft het college mogen aannemen dat de aard en de omvang van deze begeleiding niet zodanig zijn dat niet langer gesproken kan worden van een verblijf waarbij de nadruk ligt op nagenoeg zelfstandige bewoning. [6]
8.2.
De conclusie van het voorgaande is dat het college naar voorlopig oordeel heeft mogen aannemen dat het voorgenomen gebruik van het pand niet in strijd is met de functie “wonen” en dus past binnen de geldende bestemming “Gemengd-3”. De voorgenomen ingebruikname van het pand levert daarom geen klaarblijkelijk dreigende schending van het bestemmingsplan op waartegen het college handhavend kan optreden.
De functie “maatschappelijk”
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de functie “wonen”, kan in het midden worden gelaten of het voorgenomen gebruik van het pand (ook) past binnen de functie “maatschappelijk”.
Is sprake van strijd met een algemene zorgplicht?
10. Over het betoog van verzoekers dat de huisvesting van alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het pand in strijd is met één van de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
10.1.
Vooropgesteld wordt dat het door verzoekers ingeroepen artikel 1.7a van de Omgevingswet geen zorgplicht bevat, maar een verbodsbepaling. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat artikel 1.7a een vangnetfunctie heeft en een strafrechtelijk handhaafbaar verbod bevat om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Daarbij kan gedacht worden aan aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water. [7] Nog daargelaten dat verzoekers artikel 1.7a van de Omgevingswet niet aan hun verzoek om handhaving ten grondslag hebben gelegd maar hier eerst in hun aanvullende bezwaarschrift op hebben gewezen, kan de beoogde ingebruikname van het pand naar voorlopig oordeel niet worden beschouwd als een activiteit met aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving in de zin van deze bepaling.
10.2.
Ten aanzien van de algemene zorgplichten uit artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet dat deze zorgplichten voortbouwen op algemene zorgplichten die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet in diverse wetten waren opgenomen. [8] Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat handhavend optreden op grond van dergelijke zorgplichten in beginsel slechts aan de orde kwam bij handelen of nalaten dat onmiskenbaar met de zorgplicht in strijd was. [9] De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze rechtspraak niet zou gelden ten aanzien van de algemene zorgplichten die zijn opgenomen in de Omgevingswet.
Nog afgezien van de vraag of artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet er in dit geval niet aan in de weg staat om aan te nemen dat sprake is van een schending van een algemene zorgplicht, is naar voorlopig oordeel in ieder geval geen sprake van een (klaarblijkelijk dreigende) onmiskenbare schending van een algemene zorgplicht. Daarvan is immers pas sprake als zonder nader onderzoek evident is dat wordt gehandeld in strijd met een algemene zorgplicht. Die situatie doet zich hier niet voor. Dat onder omwonenden van het pand zorgen en gevoelens van onbehagen en onveiligheid leven over de situatie die na ingebruikname van het pand zal ontstaan, is hiervoor onvoldoende.
Het betoog slaagt niet.
Brandveiligheid
11. Namens verzoekers is op de zitting naar voren gebracht dat twijfels bestaan over de brandveiligheid van het pand. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, reeds omdat deze stelling eerst ter zitting naar voren is gebracht en niet met concrete gegevens is onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

12. Wat verzoekers hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit bij de heroverweging in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat de ingebruikname van het pand niet wordt verboden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 5:7 van Pro de Awb.
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2759.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:631.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183.
5.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:399.
6.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1851.
7.Kamerstukken II, 2017/18, nr. 3, blz. 131-132.
8.Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, blz. 67.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5756.