ECLI:NL:RBDHA:2026:19373

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.13173 en NL26.13174
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest EUArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen buitenbehandelingstelling asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres, een Ethiopische vrouw, diende op 22 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam haar aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland vroeg op 12 november 2025 om terugname, wat Kroatië op 25 november 2025 accepteerde.

Eiseres voerde aan dat Kroatië haar internationale verplichtingen niet nakomt, met verwijzing naar systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvang, en haar persoonlijke situatie als slachtoffer van mensenhandel en mishandeling. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië nog steeds geldt en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling.

Daarnaast stelde eiseres dat de minister haar aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening ten onrechte niet aan zich heeft getrokken vanwege haar kwetsbaarheid en traumatische ervaringen. De rechtbank vond dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid in redelijkheid heeft uitgeoefend en dat de omstandigheden van eiseres geen bijzondere individuele omstandigheden vormen die een uitzondering rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.13173 (beroep)
NL26.13174 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1995, van Ethiopische nationaliteit, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),
(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag voor een verblijfvergunning asiel en het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, S. Kidane als tolk in de Amhaarse taal en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bestreden besluit
4. Eiseres heeft op 22 september 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres eerder in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
4.1.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Dit staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland op 12 november 2025 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 25 november 2025 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Er zijn concrete aanwijzingen dat Kroatië haar internationale verplichtingen niet nakomt. Er is sprake van systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest [2] en artikel 3 van Pro het EVRM [3] . Dit volgt uit het meest recente AIDA-rapport over Kroatië [4] . Het voorgaande geldt op grond van de arresten C.K. [5] en Tarakhel [6] in het bijzonder voor kwetsbare asielzoekers zoals eiseres. Eiseres is namelijk slachtoffer van mensenhandel in Dubai en Servië, zij heeft in Servië aan hen kunnen ontsnappen, maar is in Kroatië vervolgens mishandeld door de politie. Zij is ook verkracht op de locatie waar zij verbleef. Zij heeft daarna niet de benodigde medische zorg of bescherming ontvangen.
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling [7] volgt dat verweerder ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. [8] Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag [9] en het Unierecht zullen behandelen. Het is daarom aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvan kan pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [10]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Kroatië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 onder meer het AIDA-rapport over Kroatië, update 2023 betrokken. De Afdeling heeft overwogen dat er op een aantal momenten sprake was van overbezetting in de opvang, maar dat de Kroatische autoriteiten zich vervolgens actief hebben ingezet om te voorzien in de essentiële levensbehoeften en binnen enkele dagen alsnog in slaapplekken te voorzien. Hieruit blijkt niet dat Kroatië onverschillig staat tegenover incidentele tekorten in de opvang. Het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport, update 2024 geeft geen wezenlijk ander beeld over pushbacks dan het AIDA-rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Eiseres is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de situatie nadien in relevante mate is gewijzigd. Daarbij is van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiseres als Dublinterugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen. In het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, is het aan eiseres om hierover te klagen. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiseres niet bestaat.
5.3.
Met betrekking tot de arresten C.K. en Tarakhel is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in haar geval geen sprake zal zijn van ontoereikende zorg- en opvangvoorzieningen. De verkrachting is een commuun delict waartegen eiseres aangifte kan doen. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij hiervoor geen medische zorg kan ontvangen of geen hulp in kan roepen bij de Kroatische autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
6. Eiseres voert aan dat verweerder haar aanvraag ten onrechte niet op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich heeft getrokken. Zij is een kwetsbare jonge vrouw. Voor haar aankomst in Kroatië is eiseres slachtoffer geworden van mensenhandel in Dubai. Ook in dit verband heeft zij erop gewezen dat zij in Kroatië is mishandeld en verkracht. Het zou van onevenredige hardheid getuigen om haar terug te sturen naar het land waar zij trauma’s heeft opgelopen. Volgens eiseres heeft verweerder haar medische klachten en verklaringen niet in onderlinge samenhang beoordeeld. Op grond van de arresten K en A [11] en C en A [12] moet altijd een toets aan het evenredigheidsbeginsel plaatsvinden. Verder schrijft de Dublinverordening niet voor dat de bevoegdheid uit artikel 17 terughoudend Pro en slechts in uitzonderlijke situaties gebruikt wordt. Verweerder kan dus de behandeling van het asielverzoek naar zich toe trekken.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten. Verweerder heeft in het beleid neergelegd hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc [13] trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het een keuze van verweerder is om terughoudend gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft die keuze in redelijkheid kunnen maken. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiseres gestelde omstandigheden niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiseres aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Eiseres heeft weliswaar een uitdraai van haar patiëntendossier overgelegd waarin staat dat zij veel stress en nachtmerries heeft en dat ze aan de dood denkt maar geen doodwens heeft, maar daaruit blijkt niet dat de arts van oordeel is dat zij niet teruggestuurd kan worden naar Kroatië vanwege de trauma’s die zij daar heeft opgelopen.
6.3.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de arresten K en A en C en A geen betrekking hebben op de situatie van eiseres. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit de omstandigheden van eiseres voldoende zorgvuldig en gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.13173:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.13174
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Handvest betreffende de grondrechten van de Europese Unie.
3.Verdrag betreffende de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Country Report: Croatia, Update 2024, van AIDA van augustus 2025.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
6.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, zaaknummer 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Zie de Afdelingsuitspraken van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:4037 en van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.
9.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
10.Zoals volgt uit het arrest Jawo van het HvJEU van 19 maart 2019, C-163/17; ECLI:EU:C:2019:218.
11.Arrest van het HvJEU van 9 juli 2015, C-153/14.
12.Arrest van het HvJEU van 7 november 2018, C-257/17.
13.Vreemdelingencirculaire 2000.