ECLI:NL:RBDHA:2026:19367
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting grensdetentie wegens overschrijding termijn asielprocedure
Eiser, van Zimbabwaanse nationaliteit, werd op 6 april 2026 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek bevestigd.
De rechtbank toetst nu de voortzetting van de detentie na het sluiten van het onderzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat grensdetentie zo kort mogelijk moet duren en dat een duur langer dan 13 weken na oplegging in strijd is met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Door organisatorische problemen bij de rechtbank is de behandeling van het asielberoep en het verzoek om voorlopige voorziening niet binnen deze termijn gepland.
De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de grensdetentie na 26 juni 2026 onrechtmatig is omdat de termijn van 13 weken wordt overschreden en het belang van grensbewaking dit niet rechtvaardigt. De maatregel wordt per die datum opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de onrechtmatigheid samenvalt met de opheffing. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,-. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de grensdetentie per 26 juni 2026 wegens overschrijding van de maximale duur van 13 weken.