ECLI:NL:RBDHA:2026:19313

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL25.12614
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking besluit over machtiging voorlopig verblijf

Eiseres heeft op 17 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank heeft op 29 oktober 2024 het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een verlengde termijn van twintig weken bij nader onderzoek.

Op 17 maart 2025 stelde eiseres opnieuw beroep in wegens het uitblijven van een besluit. Uiteindelijk heeft de minister op 9 juni 2026 een beslissing genomen, waarmee het beroep feitelijk is komen te vervallen. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.

De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe wegens betalingsonmacht. Ondanks de niet-ontvankelijkheid veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiseres, omdat de minister niet binnen de gestelde termijn heeft besloten en het beroep daardoor gegrond was. De proceskosten worden vastgesteld op €467, gebaseerd op de wettelijke regeling en de aard van het beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister alsnog een besluit heeft genomen, met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12614

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres
mede namens haar minderjarige kinderen
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5]
V-nummers: [V-nummer 2] , [V-nummer 3] , [V-nummer 4] , [V-nummer 5] en [V-nummer 6]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder,

Procesverloop

Eiseres heeft op 17 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging (nareis) voor verblijf bij [referent] (referent).
Bij uitspraak van 29 oktober 2024 heeft deze rechtbank het beroep van 17 juli 2024 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken een besluit op de aanvraag te nemen. Als binnen die periode verweerder aan eiseres schriftelijk is medegedeeld dat nader onderzoek zal plaatsvinden, heeft de rechtbank opgedragen binnen twintig weken een besluit te nemen. [2]
Op 17 maart 2025 heeft eiseres opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Op 9 juni 2026 heeft verweerder eiseres kennisgegeven van de beslissing op de aanvraag van eiseres.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van eiseres heeft besloten, maar op 9 juni 2026 alsnog tot een besluit is gekomen, is verweerder geheel aan het beroep van eiseres tegemoetgekomen. Eiseres heeft, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, in zoverre geen procesbelang meer zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
3. Ook wanneer een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, is een proceskostenveroordeling mogelijk. Dit is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, doet deze situatie zich hier voor.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen beslissing op de aanvraag van eiseres heeft genomen voordat de nadere beslistermijn op 25 december 2024 was verlopen. Daarom is ook het opvolgende beroep van 17 maart 2025 niet ten onrechte ingesteld en ziet de rechtbank reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres.
5. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen zien op het niet tijdig nemen van de besluiten.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.