ECLI:NL:RBDHA:2026:19312

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL25.12857
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intussen genomen besluit in gezinshereniging

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de minister binnen acht weken een besluit moest nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.

Ondanks deze termijn heeft de minister pas op 3 april 2026 een besluit genomen. Hierdoor is het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank overweegt dat ook bij niet-ontvankelijkheid een proceskostenveroordeling mogelijk is, zeker wanneer het bestuursorgaan alsnog aan het beroep tegemoetkomt.

De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht van €194 en de proceskosten van €467, vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De wegingsfactor 'licht' is toegepast omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van besluiten. Het vonnis is gewezen door rechter K.M. de Jager en openbaar gemaakt op 9 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het alsnog genomen besluit, en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12857

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser,

mede namens
zijn ouders [eiser 2] en [eiser 3] , en zijn broers en zussen [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] en [eiser 10],
V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] , [V-nummer 3] , [V-nummer 4] , [V-nummer 5] , [V-nummer 6] , [V-nummer 7] , [V-nummer 8] , [V-nummer 9] , [V-nummer 10] ,
hierna: eisers
(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder

Procesverloop

Eisers hebben op 18 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor verblijf bij [eiser 1] (referent).
Bij uitspraak van 6 november 2024 heef deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch het beroep van 18 juli 2024 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken een besluit op de aanvraag te nemen. [2] Indien binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan eiser schriftelijk is meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend gemaakt worden.
Op 18 maart 2025 hebben eisers opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Op 3 april 2026 heeft verweerder eisers in kennis gesteld van de beslissing op hun aanvragen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [3] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvragen van eisers heeft besloten, maar op 3 april 2026 alsnog tot een besluit is gekomen, is verweerder geheel aan het beroep van eisers tegemoetgekomen. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit, hebben eisers in zoverre geen procesbelang meer. Dit beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
2. Ook wanneer een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, is een proceskostenveroordeling mogelijk. Dit is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, doet deze situatie zich hier voor.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Aangezien het opvolgende beroep niet ten onrechte is ingesteld ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 moet vergoeden en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien de beroepen alleen zien op het niet tijdig nemen van de besluiten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van tezamen
€ 467 (vierhonderdzevenenzestig euro);
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) moet vergoeden
Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
3.Algemene wet bestuursrecht.