ECLI:NL:RBDHA:2026:19306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33752
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit asielzoeker uit Algerije

Verzoeker, een Algerijnse asielzoeker, heeft een vierde asielaanvraag ingediend nadat eerdere aanvragen waren afgewezen. Verweerder heeft op 16 juni 2026 besloten dat verzoeker de beslissing op zijn asielaanvraag niet in Nederland mag afwachten en heeft een uitzetting gepland. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de concrete dreiging van uitzetting. De rechter vindt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, omdat niet vaststaat dat de asielaanvraag enkel is gedaan om uitzetting te frustreren. De belangenafweging leidt tot toewijzing van het verzoek, zodat verzoeker in Nederland kan blijven tot zes weken na beslissing op het bezwaar.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en hoger beroep is uitgesloten.

Uitkomst: Verzoeker mag de beslissing op zijn bezwaar tegen het uitzettingsbesluit in Nederland afwachten en uitzetting is voorlopig verboden tot zes weken na bezwaarbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33752
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1989, van Algerijnse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Post).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van verweerder dat verzoeker de beslissing op zijn asielaanvraag niet in Nederland mag afwachten. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat hij de beslissing op het bezwaar in Nederland mag afwachten.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij besluit van 16 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeker de beslissing op zijn asielaanvraag van dezelfde datum niet in Nederland mag afwachten. [1]
2.1.
Verzoeker heeft op 17 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Op dezelfde dag heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Verweerder heeft op 23 juni 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft op 24 juni 2026 een ordemaatregel getroffen, inhoudende dat het verweerder verboden wordt verzoeker uit te zetten totdat de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening heeft beslist.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, R. Dahman als tolk Arabisch en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoeker heeft in het verleden drie asielaanvragen gedaan. Na de afwijzing van de derde asielaanvraag heeft verweerder een vlucht geboekt op 23 juni 2026 om verzoeker uit te zetten naar Algerije. Deze vlucht werd op 16 juni 2026 geannuleerd door de luchtvaartmaatschappij.
4. Verzoeker heeft op 16 juni 2026 een vierde asielaanvraag gedaan. Verzoeker is dezelfde dag gehoord en verweerder heeft hem eveneens op die datum het bestreden besluit opgelegd dat inhoudt dat verzoeker zijn asielaanvraag niet in Nederland mag afwachten. Verweerder meent namelijk dat verzoeker zijn asielaanvraag enkel heeft ingesteld om zijn voorgenomen uitzetting te frustreren.
5. Verweerder heeft vervolgens op 17 juni 2026 aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij voornemens is verzoeker op 1 juli 2026 om 09:30 uur met de vluchtnummers [nummerd] via Rome uit te zetten naar Algerije.
6. De voorzieningenrechter heeft op 24 juni 2026 een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat het verweerder verboden wordt verzoeker uit te zetten totdat de voorzieningenrechter in onderhavige procedure op het verzoek om een voorlopige voorziening heeft beslist.
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoeker mag het bezwaar immers niet in Nederland afwachten, hij kan dus uit Nederland worden gezet. Gelet op het handelen van verweerder (de recent geboekte vluchten) is sprake van een voldoende concrete dreiging van uitzetting om spoedeisend belang aan te nemen.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
8. Nu het spoedeisend belang is aangenomen zal de voorzieningenrechter beoordelen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
9. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in het standpunt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat namelijk onvoldoende vast dat verzoeker zijn asielaanvraag enkel heeft gedaan om zijn uitzetting te frustreren. Uit zijn verklaring van 16 juni 2026 blijkt immers dat hij zijn herhaalde asielaanvraag op die datum heeft gedaan, nadat aan hem was medegedeeld dat zijn uitzetting van 23 juni 2026 niet door zou gaan omdat de vlucht was geannuleerd. Op dat moment wist verzoeker nog niet wanneer een nieuwe vlucht zou worden gepland. Pas de volgende dag, op 17 juni 2026, is aan verzoeker medegedeeld dat een nieuwe vlucht (op
1 juli 2026) was geboekt. Dit maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat ten tijde van de asielaanvraag geen sprake was van een concreet vooruitzicht op uitzetting waarvan verzoeker op de hoogte was. Dat verweerder in de periode daarvoor al handelingen had verricht om de uitzetting te bewerkstelligen, is onvoldoende voor de aanname dat hij de aanvraag heeft ingediend om zijn uitzetting te frustreren, ook als dat in samenhang wordt beoordeeld met het gegeven dat het de vierde asielaanvraag van verzoeker betreft. Verzoeker was op het moment van de aanvraag immers niet bekend met de nieuwe uitzettingsdatum.
Belangenafweging
10. De voorzieningenrechter maakt een belangenafweging waarbij het belang van verzoeker bij toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening wordt afgezet tegen het belang van verweerder bij afwijzing van het verzoek.
11. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoeker heel groot. Hij heeft immers een asielaanvraag ingediend en dat impliceert dat uitzetting naar Algerije mogelijk grote gevolgen zou hebben. Het belang van verweerder is minder groot, nu de toewijzing van het verzoek enkel betrekking heeft op de bezwaarperiode. Dit betreft dus een relatief korte periode. Omdat de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker groter acht, wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe in de zin dat verzoeker de beslissing op zijn bezwaar in Nederland mag afwachten.
Overige gronden
12. Omdat het verzoek wordt toegewezen komt de voorzieningenrechter niet toe aan de overige gronden.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in de zin dat het verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot zes weken nadat verweerder op het bezwaar tegen het bestreden besluit van 16 juni 2026 heeft beslist.
Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in de zin dat het verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot zes weken nadat verweerder op het bezwaar tegen het bestreden besluit van 16 juni 2026 heeft beslist;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Een besluit op grond van artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000.