ECLI:NL:RBDHA:2026:19265

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706443 / FA RK 26-5569
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing zorgmachtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg bij chronische psychose

De rechtbank Den Haag heeft op 11 juni 2026 een zorgmachtiging verleend aan betrokkene, geboren in 1948, die lijdt aan een chronische therapieresistente psychose in het kader van schizofrenie. Betrokkene verblijft momenteel in een psychiatrische afdeling voor ouderen en vertoont paranoïde wanen, hallucinaties en erotomane wanen, wat leidt tot ernstig nadeel zoals slechte zelfzorg en verwaarlozing.

De officier van justitie verzocht om een aansluitende zorgmachtiging op basis van medische verklaringen, zorgplannen en adviezen van de geneesheer-directeur. Tijdens de zitting gaf betrokkene aan problemen te ervaren door medicatie en hersenonderzoek, maar was zij meewerkend en wilde zij voorlopig in de accommodatie blijven. De afdelingsarts bevestigde de ernst van de situatie en de noodzaak van verplichte zorg, waaronder medicatie, medische controles, bewegingsbeperkingen en opname.

De rechtbank oordeelde dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn en dat de verplichte zorg evenredig en effectief is. De machtiging geldt tot 11 december 2026 en omvat het toedienen van medicatie, medische controles, bewegingsbeperkingen, beperkingen in de vrijheid en opname in een accommodatie. Het verzoek om aanvullende vormen van zorg werd afgewezen.

De beschikking is gegeven door rechter J.C. van den Dries en griffier E.M.C. Mulders en is op 23 juni 2026 schriftelijk vastgesteld. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden met verplichte zorg en opname in een accommodatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/706443 / FA RK 26-5569
Datum beschikking: 11 juni 2026

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikkingnaar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie Parnassia, afdeling ouderen psychiatrie, te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. R.N. Baldew te Den Haag.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 4 juni 2026, heeft de officier van justitie verzocht om een aansluitende zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 29 mei 2026 ondertekende medische verklaring van [naam 1] , psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een zorgkaart van 1 juni 2026;
- een zorgplan van 20 mei 2026;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 3 juni 2026;
- een afschrift van de politiemutaties;
- een brief van de officier van justitie van 13 mei 2026, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de afdelingsarts, [naam 2] ;
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

Betrokkene heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij problemen heeft met haar geheugen. Volgens haar worden deze klachten veroorzaakt door de medicatie die zij gebruikt en door het hersenonderzoek dat zij heeft ondergaan. Betrokkene acht het mogelijk dat zij nog zes maanden in de accommodatie blijft en dat, als dat goed gaat, vervolgens kan worden toegewerkt naar een terugkeer naar huis met zorg en ondersteuning. Zij wil op termijn naar huis, maar niet direct. Verder heeft betrokkene gezegd dat zij niet wil veranderen van medicatie. Zij kan zich er wel in vinden als de dosering van het huidige depot iets wordt verhoogd.
De advocaat heeft ter zitting benadrukt dat betrokkene in het contact met hem rustig en meewerkend is geweest. Verder heeft de advocaat naar voren gebracht dat betrokkene de huidige afdeling prettiger vindt dan haar eerdere verblijf op de afdeling geriatrie, omdat zij daar meer rust ervaart. Ook heeft zij een andere visie op haar klachten dan de behandelaren en herkent zij zich niet volledig in de diagnose zoals opgenomen in de medische verklaring.
De advocaat heeft erop gewezen dat betrokkene eerder niet instemde met depotmedicatie, maar inmiddels wel akkoord is met het huidige depot. Ook kan zij zich vinden in een eventuele ophoging daarvan. Daarnaast heeft betrokkene aangegeven dat zij niet per se direct naar huis wil en voorlopig op de afdeling wil blijven om tot rust te komen en te bekijken wat een passende behandeling voor haar is. Wel vraagt zij aandacht voor haar wens dat de opname niet langer duurt dan noodzakelijk. Omdat zij nog over een eigen woning beschikt, heeft de advocaat verzocht om, indien de rechtbank van oordeel is dat aan de wettelijke criteria is voldaan, op te nemen dat de opname niet langer duurt dan strikt noodzakelijk en dat tussentijds wordt bezien of ambulante begeleiding thuis mogelijk is.
De afdelingsarts heeft ter zitting verklaard dat betrokkene aanvankelijk was opgenomen op de afdeling geriatrie. Het ging thuis niet goed en zij had last van psychotische klachten. Tijdens de ontregeling is zij bovendien gevlucht en enige tijd vermist geweest. Betrokkene wilde destijds niet opgenomen worden en wilde ook niet behandeld worden.
Volgens de afdelingsarts hangt de ontregeling mogelijk samen met het feit dat het depot van betrokkene is omgezet naar een ander middel, omdat zij van het eerdere depot bijwerkingen had.
De afdelingsarts heeft verder verklaard dat betrokkene momenteel rustiger is op de afdeling en meer samenwerkt. De psychotische klachten zijn echter nog steeds aanwezig en betrokkene ziet dat volgens de afdelingsarts zelf ook in. Het plan is om betrokkene in te stellen op de juiste depotmedicatie, mogelijk door een hogere dosering van het huidige depot of door een ander middel, zodat de psychotische klachten kunnen afnemen.
Gelet op de ernst van het eerdere toestandsbeeld en het feit dat betrokkene toen niet wilde meewerken aan behandeling, acht de afdelingsarts een zorgmachtiging van zes maanden wenselijk. Volgens de afdelingsarts is nog sprake van een precaire situatie. Daarbij merkt de afdelingsarts op dat betrokkene van mening is dat haar klachten door de medicatie worden veroorzaakt en heeft aangegeven liever geen orale medicatie te gebruiken.
De afdelingsarts acht de vormen van verplichte zorg
‘toedienen van medicatie’, ‘verrichten medische controles’, ‘beperken van de bewegingsvrijheid’, ‘aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’en
‘opnemen in een accommodatie’noodzakelijk. De afdelingsarts heeft daarbij toegelicht dat hij verwacht dat de opname niet langer dan drie maanden zal hoeven te duren, maar dat dit onvoldoende zeker is om te kunnen concluderen dat de opname kan worden beperkt tot een kortere duur dan de zorgmachtiging. Ten aanzien van de vorm van verplichte zorg
‘aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’heeft de afdelingsarts aangegeven dat hij niet goed kan inschatten of deze in de thuissituatie noodzakelijk zal zijn.

Beoordeling

Op 15 mei 2026 is door de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 25 juni 2026.
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een chronische therapieresistente psychose in het kader van schizofrenie.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
Betrokkene heeft last van paranoïde wanen en akoestische hallucinaties, waaruit zij angst ervaart en haar huis ontvlucht om in dure hotels te slapen. Daarnaast is sprake van erotomane wanen.
In de thuissituatie was sprake van slechte zelfzorg, een vervuilde woning en verwaarlozing van haar dieren. Zij is veel afgevallen en heeft voorafgaand aan de opname een hoofdletsel opgelopen.
Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat zij haar autonomie zoveel mogelijk herwint en de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er nog onvoldoende mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Hoewel betrokkene momenteel goed in de samenwerking is, is de situatie nog precair. Gelet op het eerdere ernstige toestandsbeeld en de eerdere weigering van behandeling is het te vroeg om de noodzakelijke zorg in een vrijwillig kader te verlenen. Om die reden is verplichte zorg nodig.
De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten;
- opnemen in een accommodatie.
Gelet op hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van verplichte zorg in de vorm van:
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- aanbrengen van beperkingen in het gebruik van communicatiemiddelen.
Niet gebleken is dat deze vormen van zorg in het verleden noodzakelijk zijn geweest en niet voorzienbaar is dat het opleggen hiervan direct noodzakelijk zal zijn. Het verzoek zal daarom in zoverre worden afgewezen.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De verplichte zorg is bovendien evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging wordt toegewezen voor de duur van zes maanden. De vorm van verplichte zorg ‘opnemen in een accommodatie’ zal, gelet op de kwetsbare situatie, niet in duur worden beperkt.

Beslissing

De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] ,
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten;
- opnemen in een accommodatie;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 11 december 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.