ECLI:NL:RBDHA:2026:19147

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
C/09/700952 / FA RK 26-2299
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wijziging zorgregeling en vaststelling vakantieregeling in belang minderjarige

Partijen, voormalig gehuwd en ouders van een minderjarige, hebben een bestaande zorgregeling waarbij het kind doordeweeks bij de vader verblijft en in het weekend bij de moeder. De moeder verzoekt wijziging van deze regeling vanwege vermeende gewijzigde omstandigheden, met name de inschrijving van het kind bij een voetbalvereniging zonder haar instemming, waardoor zij minder quality time ervaart.

De vader betwist dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden en stelt dat het kind al sinds 2022 lid is van de voetbalvereniging en dat sportactiviteiten bij beide ouders onderdeel zijn van de dagelijkse routine. De rechtbank oordeelt dat de moeder haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd en dat de situatie zoals door de moeder gewenst, in de praktijk al deels bestaat.

De rechtbank concludeert dat de gevraagde wijziging niet in het belang van het kind is en wijst het verzoek af. Wel stelt de rechtbank de vakantieregeling vast conform de door partijen overeengekomen verdeling. Tevens benadrukt de rechtbank het belang van verbeterde communicatie tussen ouders ten behoeve van het welzijn van het kind.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging van de zorgregeling wordt afgewezen; vakantieregeling wordt vastgesteld conform overeenstemming partijen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2299
Zaaknummer: C/09/700952
Datum beschikking: 10 juni 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 8 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift.
Op 13 mei 2026 is de zaak op zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vader bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder bijgestaan door mr. F. Mahboub als waarnemer en N. Vakili als tolk;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2014 tot [datum 2] 2023.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats].
  • [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2023 (bij de rechtbank bekend onder zaakkenmerk C/09/640026) is – voor zover hier aan de orde – een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld tussen [minderjarige] en de vader, in die zin dat hij wekelijks, van maandag uit school tot en met vrijdag naar school, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen (in onderling overleg te bepalen) bij de vader zal zijn.

Verzoek en verweerDe moeder verzoekt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals is vastgelegd in de beschikking van 7 augustus 2023 van deze rechtbank te wijzigen, en te bepalen dat [minderjarige] van donderdag uit school tot en met zondag bij de moeder verblijft, alsmede de vakanties als volgt te verdelen:

  • zomervakantie: de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader;
  • meivakantie: de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
  • kerstvakantie: de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder;
  • voorjaarsvakantie: bij de moeder;
  • najaarsvakantie: bij de vader,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader voert verweer ten aanzien van het verzoek om de reguliere zorgregeling te wijzigen. De vader kan zich vinden in de door de moeder voorgestelde regeling met betrekking tot de vakanties en feestdagen.

Beoordeling

Wettelijk kaderOp grond van artikel 1:253a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van het vijfde lid van dit artikel probeert de rechtbank eerst een vergelijk tussen de ouders overeen te komen, voordat zij een beslissing in het belang van het kind neemt. Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de zorgregeling is artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat een vastgestelde zorgregeling gewijzigd kan worden als er later sprake is van een wijziging van de omstandigheden of de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Standpunt moeder
De moeder stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat de vader [minderjarige] zonder voorafgaand overleg en zonder haar instemming heeft ingeschreven bij een voetbalvereniging. Dit heeft tot gevolg dat [minderjarige] op zaterdag wedstrijden speelt terwijl hij op zondag ook nog naar de voetbalschool gaat. De zaterdag en de zondag zijn nu juist de dagen in de week dat [minderjarige] bij de moeder verblijft volgens de huidige zorgregeling. Aangezien [minderjarige] moet voetballen op die dagen, ervaart de moeder dat zij niet voldoende voor hem kan zorgen en niet met hem de tijd kan doorbrengen zoals zij dat wenst. Dat kan ook niet op vrijdagmiddag omdat [minderjarige] dan moe is. Om die reden verzoekt zij dat [minderjarige] in plaats van op vrijdag na school op donderdag na school naar haar toe gaat.
Standpunt vader
De vader stelt zich op het standpunt dat van een wijziging van omstandigheden geen sprake is. [minderjarige] is vijf dagen per week actief met voetbal en kickboksen, waarbij de vader hem van en naar alle trainingen en wedstrijden haalt en brengt, ook wanneer [minderjarige] bij de moeder verblijft. Dit is noodzakelijk omdat de moeder dit volgens de vader weigert. [minderjarige] is sinds 2022, dus al vóór de echtscheiding, lid van de voetbalvereniging. De vader ziet geen reden om de huidige zorgregeling te wijzigen, omdat de huidige regeling in het belang van [minderjarige] is en die het contact tussen moeder en kind niet belemmert. Volgens de vader handelt onvoorspelbaar in het nakomen van afspraken en toont zij geen bereidheid om, in het belang van [minderjarige], zich in te zetten voor verbetering van de relatie en communicatie als ouders.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de moeder haar verzoek doet omdat volgens haar de omstandigheden zijn gewijzigd ten opzichte van het moment dat de huidige zorgregeling werd vastgelegd. Zij geeft aan dat [minderjarige] inmiddels op voetbal zit. De vader betwist deze gewijzigde omstandigheid omdat [minderjarige] al voor de echtscheiding op voetbal zat. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de moeder ligt om haar stelling, in het licht van de betwisting te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Van gewijzigde omstandigheden is dan ook niet gebleken zodat het verzoek van de moeder reeds om die reden voor afwijzing gereed ligt. Daar komt het volgende bij. Volgens de huidige zorgregeling is [minderjarige] van maandag tot en met vrijdag bij de vader en in het weekend bij de moeder. De rechtbank neemt in aanmerking dat partijen hebben aangegeven dat [minderjarige], in afwijking van de zorgregeling, met enige regelmaat na de voetbaltraining op donderdag bij de moeder verblijft. Partijen spreken dit met elkaar af op het moment dat dit beter uitkomt. Hierdoor bestaat de situatie zoals door de moeder is verzocht in de praktijk al deels.
Dat [minderjarige] op zaterdag en zondag naar de voetbal gaat, terwijl hij dan bij de moeder is, doet niet af aan de kwaliteit van de dagen dat [minderjarige] bij de moeder is. Er is geen sprake van meer vrije tijd bij de vader, aangezien [minderjarige] daar eveneens dagelijks (sport)verplichtingen heeft tijdens de momenten dat hij bij hem is. Daarmee is duidelijk dat sportactiviteiten bij beide ouders onderdeel zijn van de dagelijkse routine en dat de zorg en tijd bij de ouders vergelijkbaar is. Ook op donderdagmiddag heeft [minderjarige] voetbaltraining. Uitbreiding van de zorgregeling met de donderdagmiddag, voorziet niet in de wens van moeder namelijk het creëren van extra
quality timeen een versterkte (emotionele) band met zijn moeder. Het is onvoldoende gebleken dat wijziging van de zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.
Gelet op het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek tot wijziging van de zorgregeling af.
Vakantieregeling
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat partijen het eens zijn over de verdeling van de vakanties, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment is, hem naar de voetbal brengt en weer ophaalt. De rechtbank zal de vakantieregeling volgens deze overeenstemming vaststellen. Daarbij
De rechtbank overweegt ten overvloede dat het in het belang van [minderjarige] is dat ten aanzien van de zorg- en vakantieregeling sprake is van continuïteit, in die zin dat het belangrijk is dat beide ouders zich aan de door de rechtbank vastgestelde regelingen houden. Dat betekent dus ook dat van de moeder mag worden verwacht dat zij [minderjarige] naar voetbalactiviteiten brengt en daar haalt als die in de vakantie vallen en [minderjarige] bij zijn moeder is.
De rechtbank merkt nog op dat wat partijen verdeeld houdt met name gelegen is in de onderlinge verhoudingen tussen de ouders. Tijdens de zitting is gevraagd of partijen openstaan voor mediation of ouderschapsbemiddeling. De vader staat daar, hoewel hij sceptisch is over de succeskansen, voor open. De moeder gaf aan dat ze de voorkeur geeft aan een beslissing van de rechtbank. Zonder een gemeenschappelijke basis om (een van) de voornoemde trajecten te starten, zal dit nergens toe leiden.
De rechtbank benadrukt dat het voor [minderjarige] wel van groot belang is dat zijn ouders hun relatie, communicatie en samenwerking verbeteren. [minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de rechtbank kenbaar gemaakt dat hij veel last heeft van de wijze waarop zijn ouders met elkaar omgaan en dat hij daar veel verdriet van heeft.
Dat [minderjarige] zoveel last heeft van de situatie tussen zijn ouders, zouden de vader en de moeder zich moeten aantrekken. Verbeterde communicatie tussen de ouders zal bijdragen aan het welbevinden van [minderjarige] maar ook leiden tot een betere samenwerking, waardoor het ook gemakkelijker kan worden om in onderling overleg afspraken te maken. Daarnaast zou het voor [minderjarige] heel fijn zijn als zijn beide ouders meer betrokken zijn bij zijn dagelijkse activiteiten. Dat geldt voor zijn voetbalactiviteiten maar ook voor school. Betrokkenheid bij deze voor een kind belangrijke aspecten in het leven, is ook een vorm van quality time tussen ouder en kind. Het verdient aanbeveling dat beide ouders zich in het belang van hun zoon, alsnog voor inspannen en de rechtbank stimuleert de ouders om alsnog gezamenlijk een traject te doorlopen dat gericht is op het verbeteren van hun onderlinge omgang, in het belang van [minderjarige].

Beslissing

De rechtbank
*
wijst het verzoek van de moeder tot wijziging van de reguliere verdeling van zorg- en opvoedingstaken af;
*
bepaalt - met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2023 –dat de vakanties als volgt worden verdeeld:
- zomervakantie: de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader;
- meivakantie: de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
- kerstvakantie: de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder;
- voorjaarsvakantie: bij de moeder;
- najaarsvakantie: bij de vader.
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 juni 2026.