ECLI:NL:RBDHA:2026:19128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/701128 / KG ZA 26-256
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)CV-inspectieschema BrandbeveiligingNEN 2535
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over inspectiecertificaat brandmeldinstallatie in crematorium

Partijen sloten op 8 september 2023 een overeenkomst voor levering en installatie van technische installaties in een crematorium, waaronder een brandmeld- en ontruimingsinstallatie. Na oplevering constateerde de gedaagde diverse gebreken en startte een kortgedingprocedure waarin eiseres werd veroordeeld tot het verstrekken van een inspectiecertificaat onder voorwaarden.

In deze procedure vordert eiseres dat gedaagde de executie van het eerdere vonnis staakt en geen executoriaal beslag legt, omdat het inspectiecertificaat nog niet kan worden afgegeven door onvolledige en onjuiste informatie en onopgeloste afkeurpunten. Gedaagde voert verweer en wil de vorderingen afwijzen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de niet-nakoming aan eiseres is toe te rekenen en dat executiemaatregelen daarom misbruik van bevoegdheid zouden zijn. De executie wordt verboden en gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van onrechtmatig geïncasseerde bedragen. Partijen worden in de proceskosten gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde wordt verboden executiemaatregelen te treffen en veroordeeld tot terugbetaling van onrechtmatig geïncasseerde bedragen wegens onduidelijkheid over toerekenbaarheid niet-nakoming inspectiecertificaat.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/701128 / KG ZA 26-256
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.te [plaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. C.J.R. van Binsbergen te Bodegraven,
tegen:
[gedaagde] B.V.te [plaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. L.M. Kok te Zevenaar.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 maart 2026, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2.
1.2.
De eerste mondelinge behandeling is gehouden op 17 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen over een deel van hun geschil afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een proces-verbaal van 17 maart 2026 (hierna ‘de vaststellingsovereenkomst’). Vervolgens is de verdere behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 2 mei 2026 in afwachting van bericht van partijen over de gewenste voortzetting.
1.3.
Om partijen in de gelegenheid te stellen om nader met elkaar te overleggen over een mogelijk oplossing van het resterende geschil is de zaak, op verzoek van partijen, nog twee maal pro forma aangehouden tot respectievelijk 15 mei 2026 en 29 mei 2026.
1.4.
Op 29 mei 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] een bericht geüpload in het digitale dossier, met het verzoek om een voortzetting van de mondelinge behandeling te bepalen. In reactie daarop heeft de advocaat van [eiseres] op 1 juni 2026 een bericht geüpload, waarin hij kenbaar heeft gemaakt dat het proces om tot certificering te komen zich in de afrondende fase bevindt en dat [eiseres] er daarom de voorkeur aan geeft dat proces af te wachten.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op 18 juni 2026.
1.6.
Op 17 juni 2026 heeft de advocaat van [eiseres] in het digitale dossier een overzicht geüpload van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde afspraken in de visie van [eiseres] .
1.7.
Eveneens op 17 juni 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] een akte overlegging producties 3 tot en met 9 in het geding gebracht. In die akte is een toelichting gegeven op die producties en is de laatste stand van zaken volgens [gedaagde] vermeld.
1.8.
De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 8 september 2023 hebben partijen een overeenkomst gesloten voor het leveren en aanbrengen van technische installaties in het crematorium te [plaats 2] van [gedaagde] , meer in het bijzonder een brandmeld- en ontruimingsinstallatie. [eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] een klimaatinstallatie en een brandmeld- en ontruimingsinstallatie aan [gedaagde] geleverd en zij heeft deze installaties aangebracht in het door [gedaagde] geëxploiteerde crematorium. Voor de te realiseren brandmeld- en ontruimingsinstallatie heeft [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna ‘ [bedrijfsnaam 1] ’) een programma van eisen (hierna ‘PVE’) opgesteld.
2.2.
Nadat [eiseres] haar werkzaamheden had opgeleverd, heeft [gedaagde] geconstateerd dat de door [eiseres] aangebrachte klimaatinstallatie en brandmeld- en ontruimingsinstallatie diverse gebreken vertonen en niet voldoen aan de wettelijke en technische voorschriften. Zij heeft daarom een eerdere kortgedingprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij (samengevat) heeft gevorderd om [eiseres] te veroordelen om herstelwerkzaamheden uit te voeren aan de beide installaties en om een inspectiecertificaat op grond van het CV-inspectieschema Brandbeveiliging (hierna ‘inspectiecertificaat’) over te leggen, waaruit blijkt dat de brandmeld- en ontruiminginstallatie voldoet aan de toepasselijke wettelijke vereisten.
2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van het eerdere kort geding op 5 februari 2026 hebben partijen gemeld dat hen was gebleken dat het voor de door [gedaagde] verlangde doormelding van de telefoonnummers ten behoeve van de brandmeld- en ontruimingsinstallatie naar het 24/7 bereikbare telefoonnummer van het crematorium nodig is dat het PVE van [bedrijfsnaam 1] wordt aangepast op de onderdelen 8.2, 8.4 en 9.3 en dat er vervolgens nog een controle (door [bedrijfsnaam 1] ) moest plaatsvinden met betrekking tot de vraag of de door een derde ( [bedrijfsnaam 2] Installatietechniek (hierna ‘ [bedrijfsnaam 2] ’)) uit te voeren werkzaamheden, bestaande uit het aanbrengen van vier extra rookmelders aan de voorzijde en de achterzijde van de crematieoven, voldoen aan de eisen van NEN 2535. Hierop heeft [gedaagde] verklaard de kosten van de noodzakelijke werkzaamheden voorlopig voor haar rekening te willen nemen en heeft zij de vordering strekkende tot herstel van de brandmeldinstallatie ingetrokken. Met betrekking tot het door [gedaagde] in die procedure gevorderde inspectiecertificaat op grond van het CV-inspectieschema Brandbeveiliging hebben partijen ter zitting afgesproken dat [eiseres] dit certificaat uiterlijk op 13 maart 2026 aan [gedaagde] zal verstrekken, onder de voorwaarde dat [gedaagde] tijdig de onvoorwaardelijke goedkeuring van de brandweer en de onvoorwaardelijke goedkeuring van de verzekering met betrekking tot de hiervoor omschreven aanpassingen aan het PvE van [bedrijfsnaam 1] aan [eiseres] doet toekomen en dat uit een (door [bedrijfsnaam 1] ) uitgevoerde controle blijkt dat de door de derde uit te voeren werkzaamheden, het aanbrengen van vier rookmelders, voldoen aan de eisen van NEN 2535.
2.4.
Bij vonnis van 26 februari 2026 (hierna ‘het eerdere vonnis’) heeft de voorzieningenrechter vervolgens geoordeeld dat niet in de voor toewijzing van een vordering in kort geding vereiste mate aannemelijk is geworden dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiseres] een ontwerpfout heeft gemaakt en dat de vordering met betrekking tot de herstelwerkzaamheden aan de klimaatinstallatie daarom wordt afgewezen. Met betrekking tot het inspectiecertificaat hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling van het eerdere kort geding de hiervoor genoemde afspraken gemaakt. De door [gedaagde] gevorderde overlegging van het inspectiecertificaat is – overeenkomstig de afspraken van partijen – als volgt in het eerdere vonnis toegewezen:
2.5.
In een e-mailbericht van 9 maart 2026 heeft de advocaat van [eiseres] voor zover hier van belang het volgende aan de advocaat van [gedaagde] meegedeeld:
In reactie op dit bericht heeft de advocaat van [gedaagde] in een e-mailbericht van 10 maart 2026 aan de advocaat van [eiseres] meegedeeld dat zij namens [gedaagde] opdracht aan de deurwaarder heeft gegeven om het eerdere vonnis aan [eiseres] te betekenen. Voor zover hier van belang is in dat e-mailbericht vermeld:
[eiseres] kan zich in het standpunt van [gedaagde] niet vinden en zij heeft daarom deze kortgedingprocedure aanhangig gemaakt.
2.6.
Op 11 maart 202 heeft [bedrijfsnaam 2] met betrekking tot de door haar in het crematorium van [gedaagde] aangebrachte vier rookmelders het volgende aan [gedaagde] meegedeeld:
2.7.
In de vaststellingsovereenkomst van 17 maart 2026 zijn partijen (samengevat) overeengekomen (1.) dat [eiseres] de revisietekeningen aan de advocaat van [gedaagde] stuurt, (2.) dat [gedaagde] (de aanvraag voor) de omgevingsvergunning aan de advocaat van [eiseres] stuurt en dat vervolgens de door [eiseres] gewenste bijlagen bij de aanvraag/vergunning zullen worden verstrekt, (3.) dat [gedaagde] de revisietekeningen aan [bedrijfsnaam 2] zal verstrekken, zodat [bedrijfsnaam 2] daarop de door haar aangebrachte brandmelders kan intekenen, (4.) dat [eiseres] alle technische specificaties van de door [eiseres] / [bedrijfsnaam 1] gerealiseerde brandmeldinstallatie een [gedaagde] verstrekt, zodat [gedaagde] aan [bedrijfsnaam 2] kan verzoeken om een onderhandscontract voor de brandmeldinstallatie aan te gaan, waarna [eiseres] de doormelding als bedoeld in 8.2 en 9.3 van het PVE van [bedrijfsnaam 1] realiseert, onder afgifte van een kopie van het afgesloten contract/de afgesloten contracten aan de advocaat van [eiseres] , (5.) dat [eiseres] de doormelding van het brandalarm genoemd in 8.4 van het PVE van [bedrijfsnaam 1] naar het 24/7 bereikbare telefoonnummer van het crematorium regelt en daarvan schriftelijk bewijs stuurt aan de advocaat van [gedaagde] en (6.) dat [eiseres] [bedrijfsnaam 1] vraagt om aanpassing van het PVE op onderdeel 8.4 (doormelding van het brandalarm), met vermelding van de vier door [bedrijfsnaam 2] aangebrachte brandmelders, zodat de voor het inspectiecertificaat noodzakelijke inspectie kan worden uitgevoerd. Verder hebben partijen afgesproken dat zij alles op alles zetten om het ertoe te leiden dat het door [bedrijfsnaam 1] aangepaste PVE uiterlijk op 2 april 2026 beschikbaar is, zodat de inspectie van de brandmeldinstallatie op 16 april 2026 kan plaatsvinden. Partijen hebben daarbij vastgelegd dat zij hun uiterste best doen om het door de gemeente Zevenaar gewenste inspectiecertificaat zo snel mogelijk te verkrijgen, maar dat dit certificaat er hoogstwaarschijnlijk niet eerder dan 1 mei 2026 kan zijn. Ten slotte zijn partijen overeengekomen dat de mondelinge behandeling van de zaak op een nader te bepalen datum wordt voortgezet.
2.8.
Op 15 april 2026 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht om het door [bedrijfsnaam 1] aangepaste en ondertekende PVE (hierna ook ‘het gewijzigde PVE’), dat op die datum aan [gedaagde] is toegestuurd, te ondertekenen. Op 16 april 2026 heeft [gedaagde] haar bevindingen over het gewijzigde PVE aan [eiseres] kenbaar gemaakt. Op 21 april 2026 heeft [gedaagde] het gewijzigde PVE onder protest ondertekend, zodat het onderzoek van VdS Schadenverhütung (Nederland) GmbH, de instantie die het inspectiecertificaat verleent (hierna ‘VdS’), doorgang zou kunnen vinden.
2.9.
Op 7 mei 2026 heeft VdS haar bevindingen naar aanleiding van haar onderzoek bij [gedaagde] (in concept) schriftelijk vastgelegd door middel van vermelding daarvan op het gewijzigde PVE. Daarbij heeft VdS diverse afkeurpunten vermeld die moeten worden aangepast voordat het inspectiecertificaat kan worden verleend.
2.10.
De gemeente Zevenaar heeft op 11 november 2025 een last onder dwangsom aan [gedaagde] opgelegd omdat het crematorium van [gedaagde] volgens de gemeente niet aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voldoet. Zolang [gedaagde] niet over het inspectiecertificaat beschikt, kan zij ten opzichte van de gemeente niet aantonen dat het crematorium aan de eisen voldoet en loopt zij het risico dat de gemeente overgaat tot de invordering van de dwangsom.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, – zakelijk weergegeven –
primair[gedaagde] te bevelen de executie van het eerdere vonnis onmiddellijk te staken en [gedaagde] te verbieden om op basis van dat vonnis executoriaal beslag te leggen op enig vermogensbestanddeel van [eiseres] en haar te gebieden om reeds gelegde executoriale beslagen op te heffen, een en ander op straffe van dwangsommen en
subsidiairde in 5.2. van het dictum van het eerdere vonnis opgelegde dwangsom op te heffen, dan wel te schorsen totdat [eiseres] in staat is gesteld de veroordeling na te komen, op de grond dat nakoming tijdelijk of blijvend onmogelijk is door omstandigheden die niet aan [eiseres] zijn toe te rekenen. Ten slotte vordert [eiseres]
primair en subsidiair[gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van alle op basis van het eerdere vonnis geïncasseerde, dan wel te incasseren bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe stelt [eiseres] – samengevat – het volgende. Op basis van het eerdere vonnis moest [eiseres] het inspectiecertificaat aan [gedaagde] verstrekken, onder meer onder de voorwaarde dat een door [bedrijfsnaam 1] uitgevoerde controle uitwijst dat de vier extra rookmelders voldoen aan de eisen van NEN 2535. Door [bedrijfsnaam 1] is vastgesteld dat de in opdracht van [gedaagde] door [bedrijfsnaam 2] aangebrachte vier rookmelders niet zijn opgenomen in het PVE. Dit betekent dat de feitelijke situatie in het crematorium niet overeenkomstig het PVE is, zodat het inspectiecertificaat niet kan worden afgegeven. [bedrijfsnaam 1] heeft aan [eiseres] laten weten dat de vier door [bedrijfsnaam 2] aangebrachte rookmelders alleen al daarom niet voldoen aan de eisen van NEN 2535. Volgens [eiseres] staat daarom vast dat niet is voldaan aan de derde voorwaarde waaronder de veroordeling in 5.1. van het eerdere vonnis is uitgesproken en [gedaagde] mag het vonnis daarom niet ten uitvoer leggen. Subsidiair heeft [gedaagde] het [eiseres] onmogelijk gemaakt om aan de veroordeling in 5.1. van het eerdere vonnis te voldoen, omdat [bedrijfsnaam 2] het PVE van [bedrijfsnaam 1] niet heeft aangepast een ook geen vervangend PVE heeft opgesteld. De oorzaak van de niet-nakoming van die veroordeling is daarmee volledig gelegen in de handelwijze van [gedaagde] . Daarom is handhaving van de opgelegde dwangsom in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd.
3.3.
De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van [gedaagde] zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
In dit kort geding moet (samengevat) worden beoordeeld of het [gedaagde] vrij staat om op basis van het eerdere vonnis ten laste van [eiseres] executiemaatregelen te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat niet het geval is. Dat oordeel wordt als volgt gemotiveerd.
4.2.
In het eerdere vonnis is [eiseres] , op straffe van een dwangsom, veroordeeld om het inspectiecertificaat aan [gedaagde] te verstrekken, als aan drie voorwaarden is voldaan, namelijk (1) dat [eiseres] de onvoorwaardelijke goedkeuring van de brandweer met betrekking tot de aanpassingen van het PVE van [bedrijfsnaam 1] op de onderdelen 8.2, 8.4 en 9.3 en (2) de onvoorwaardelijke goedkeuring van de verzekering met betrekking tot die aanpassingen aan [eiseres] doet toekomen en (3) dat uit een (door [bedrijfsnaam 1] ) uitgevoerde controle blijkt dat de door een derde uit te voeren werkzaamheden, bestaande uit het aanbrengen van vier extra rookmelders, voldoen aan de eisen van NEN 2535. Partijen zijn het er over eens dat aan de eerste twee voorwaarden is voldaan. Zij verschillen van mening over de vraag of ook aan de derde voorwaarde is voldaan.
4.3.
Vast staat dat [eiseres] het inspectiecertificaat nog niet aan [eiseres] heeft afgegeven. Met betrekking tot de afgifte van dit certificaat hebben partijen tijdens de kortgedingprocedure die heeft geleid tot het eerdere vonnis afspraken gemaakt (zie hiervoor in randnummer 2.4.). Tijdens de eerste mondelinge behandeling van dit kort geding op 17 maart 2026 hebben beide partijen bevestigd dat zij er bij het maken van die afspraken van uit zijn gegaan dat het inspectiecertificaat kon worden verkregen, nadat uitvoering zou zijn gegeven aan de gemaakte afspraken, maar dat inmiddels was gebleken dat voor de afgifte van het inspectiecertificaat meer nodig is dan de enkele bevestiging dat de vier extra rookmelders voldoen aan de eisen van NEN 2535. Partijen hebben tijdens die eerste mondelinge behandeling toegelicht dat er een PVE moet worden opgesteld dat in zijn geheel voldoet aan de toepasselijke NEN-norm en waarin de door [bedrijfsnaam 2] uitgevoerde werkzaamheden aan de rookmelders worden verwerkt. Vervolgens hebben partijen tijdens de eerste mondelinge behandeling van dit kort geding de in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde afspraken gemaakt. Tijdens de tweede mondelinge behandeling van dit kort geding op 18 juni 2026 hebben partijen desgevraagd bevestigd dat zij ook bij het maken van die afspraken in de veronderstelling verkeerden dat [gedaagde] na de uitvoering daarvan een inspectiecertificaat zou kunnen krijgen.
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 juni 2026 is echter gebleken dat [gedaagde] ook na de uitvoering van de door partijen gemaakte afspraken nog altijd geen inspectiecertificaat kan verkrijgen. Uit de bevindingen van VdS, die (in concept) schriftelijk zijn vastgelegd op 7 mei 2026, is namelijk duidelijk geworden dat er diverse (andere) afkeurpunten moeten worden opgelost, voordat tot certificering kan worden overgegaan. Ter zitting heeft [naam] , projectmanager bij [eiseres] (hierna ‘ [naam] ’), meegedeeld dat er inmiddels een definitief rapport van VdS van 16 juni 2026 beschikbaar is, hoewel hij het bestaan van dat definitieve rapport eerder tijdens de zitting had ontkend. [gedaagde] heeft hierop verklaard dat zij niet bekend is met dit definitieve rapport, waarna de advocaat van [eiseres] , onder het aanbieden van excuses voor de ontstane verwarring, heeft meegedeeld dat de inhoud van het definitieve rapport identiek is aan het concept. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat er in ieder geval nog afkeurpunten moeten worden opgelost, voordat het inspectiecertificaat kan worden afgegeven.
4.5.
Partijen hebben daarnaast tijdens de tweede mondelinge behandeling bevestigd dat de feitelijke situatie in het crematorium van [gedaagde] nog altijd afwijkt van de in het PVE van [bedrijfsnaam 1] beschreven situatie en dat het PVE daarom nog met die feitelijke situatie in overeenstemming moet worden gebracht, voordat een inspectiecertificaat kan worden afgegeven.
4.6.
Uit het voorgaande wordt duidelijk dat partijen door voortschrijdend inzicht steeds tot de ontdekking komen dat voor het verkrijgen van het inspectiecertificaat meer nodig is dan waar zij eerder van uit gingen. Dat betekent dat het uitgangspunt dat ten grondslag heeft gelegen aan de veroordeling in het eerdere vonnis, namelijk dat het certificaat kan worden verkregen als wordt bevestigd dat de vier door [bedrijfsnaam 2] aangebrachte rookmelders voldoen aan de eisen van NEN2535, achteraf bezien onjuist blijkt te zijn.
4.7.
Verder is tijdens de tweede mondelinge behandeling van dit kort geding gebleken dat [bedrijfsnaam 1] geen controle van de door [bedrijfsnaam 2] aangebrachte rookmelders heeft uitgevoerd, hoewel er bij het maken van de afspraken die ten grondslag lagen aan de veroordeling in het eerdere vonnis wel van uit is gegaan dat die controle zou plaatsvinden. Desgevraagd heeft [eiseres] daarover verklaard dat die controle niet binnen het afgesproken tijdsbestek kon plaatsvinden, dat [gedaagde] die controle ook zelf kan uitvoeren en dat [bedrijfsnaam 1] op basis van de door [bedrijfsnaam 2] aangeleverde informatie met betrekking tot de rookmelders kenbaar heeft gemaakt de controle niet te willen uitvoeren, omdat uit die informatie al bleek dat de rookmelders niet voldoen aan de eisen.
4.8.
Daar komt nog bij dat [eiseres] tijdens de tweede mondelinge behandeling van dit kort geding heeft betoogd dat er verwarring is ontstaan met betrekking tot de vraag op basis van welke tekeningen de inspectie van het crematorium van [gedaagde] moet worden uitgevoerd, omdat niet alle beschikbare tekeningen de feitelijke situatie in het crematorium weerspiegelen. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de bouwtekeningen gemaakt en heeft zij de tekeningen die zien op de huidige situatie niet aan [eiseres] willen verstrekken, zodat [eiseres] de tekeningen inmiddels zelf bij de brandweer heeft opgevraagd om deze te kunnen beoordelen.
4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de hand van de door beide partijen verstrekte telkens nieuwe en deels onvolledige en onjuiste informatie niet kan worden beoordeeld of het aan [eiseres] is toe te rekenen dat het inspectiecertificaat nog niet aan [gedaagde] is afgegeven. Dit betekent dat evenmin kan worden vastgesteld dat [eiseres] de aan de veroordeling in het eerdere vonnis verbonden dwangsommen heeft verbeurd. Bij die stand van zaken zou [gedaagde] misbruik van haar bevoegdheid maken als zij tot tenuitvoerlegging van het eerdere vonnis overgaat. Zij moet de (verdere) tenuitvoerlegging van het eerdere vonnis daarom onmiddellijk staken en zij mag op basis van dat vonnis geen executoriaal beslag ten laste van [eiseres] leggen. De daarop gerichte primaire vorderingen zijn daarom toewijsbaar.
4.10.
De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat [gedaagde] deze uitspraak nakomt en ziet daarom geen aanleiding aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden. De daartoe strekkende vordering zal daarom worden afgewezen.
4.11.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] nog geen executoriaal beslag ten laste van [eiseres] heeft gelegd en dat zij ook geen andere executiemaatregelen heeft getroffen op basis van het eerdere vonnis. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 juni 2026 heeft [gedaagde] toegezegd dat zij het eerdere vonnis in ieder geval tot aan de datum van dit vonnis niet ten uitvoer zal leggen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] zich aan die toezegging houdt. Dit betekent dat de vorderingen stekkende tot het opheffen van reeds gelegde executoriale beslagen en tot terugbetaling van bedragen die voor de datum van dit vonnis zijn geïncasseerd bij gebrek aan belang worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van bedragen die zij eventueel in weerwil van de hierna te geven beslissingen na de datum van dit vonnis op basis van het eerdere vonnis ten laste van [eiseres] incasseert. Dat deel van de vordering wordt daarom op de hierna vermelde wijze toegewezen.
4.12.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat partijen tijdens de mondelinge behandeling op 18 juni 2026 hebben afgesproken dat [naam] en de directeur van [gedaagde] , bij voorkeur binnen een week na de tweede mondelinge behandeling op 18 juni 2026 en zo nodig met de brandweer en de gemeente Zevenaar, om de tafel zullen gaan om te bespreken wat er nodig is om het inspectiecertificaat te kunnen krijgen. Verder hebben partijen afgesproken dat zij direct na de mondelinge behandeling op 18 juni 2026 met elkaar zullen spreken over hoe er uitvoering kan worden gegeven aan het oplossen van de afkeurpunten 19 (‘Geen nevenindicator en volgschakeling vanuit techniekruimte’), 20 (‘Meldt in de verkeerde zone, nu 3 moet 4 zijn’) en 21 (‘Meld in de verkeerde zone, nu 3 moet 4 zijn’) op pagina 16 van het als productie 7 door [gedaagde] overgelegde (concept)
‘Rapport van inbedrijfstellen en opleveren Brandmeld-/ontruimingsalarminstallatie’van 7 mei 2026. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat partijen zich ervoor zullen inspannen dat deze afspraken worden nageleefd.
4.13.
Partijen zijn over en weer op onderdelen in het ongelijk gesteld. Daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
beveelt [gedaagde] om de executie van het vonnis van 26 februari 2026 onmiddellijk te staken;
5.2.
verbiedt [gedaagde] om op basis van het vonnis van 26 februari 2026 executoriaal beslag te leggen op enig vermogensbestanddeel van [eiseres] , waaronder begrepen beslag op roerende zaken, onroerende zaken, vorderingen op derden en banktegoeden;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van alle op basis van het vonnis van 26 februari 2026 in strijd met het hiervoor in 5.1.genoemde bevel of in strijd met het in 5.2. genoemde verbod na de datum van het onderhavige vonnis geïncasseerde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat [gedaagde] het bedrag heeft ontvangen tot de dag van terugbetaling;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.1, 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
mvt