ECLI:NL:RBDHA:2026:19120

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36013
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 1 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.5 lid 2 VbArt. 12 lid 3 Screeningsverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen grensdetentie op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet

Eiser, een Guyaanse vreemdeling, is op 29 juni 2026 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw). Hij voerde onder meer aan dat hij onvoldoende begreep wat de maatregel inhield, dat een lichter middel mogelijk was, dat de kwetsbaarheidsbeoordeling onvoldoende was uitgevoerd, en dat de motivering van de minister gebrekkig was.

De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende was geïnformeerd over de detentie en dat hij geen bezwaar had gemaakt tegen de maatregel. Het grensbewakingsbelang rechtvaardigt in beginsel de vrijheidsontnemende maatregel, en de minister hoefde geen lichter middel toe te passen. De kwetsbaarheidsbeoordeling was volgens de rechtbank adequaat uitgevoerd door gespecialiseerd personeel, en er waren geen aanwijzingen dat eiser detentieongeschikt was.

Verder was het middelenvereiste en het ontbreken van een visum terecht tegengeworpen, aangezien eiser niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden en zich in de transitruimte bevond. De rechtbank vond de verwijzing naar zicht op uitzetting in de maatregel verwarrend maar niet onrechtmatig, en oordeelde dat eiser hierdoor niet in zijn belangen was geschaad.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36013

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Guyaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Procesverloop

1. Bij besluit van 29 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw [1] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum Schiphol in Badhoevedorp. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Toetsingskader
3.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
3.1.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb [2] wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Heeft eiser begrepen wat de maatregel inhoudt?
4. Eiser voert aan dat het gehoor voorafgaand aan de maatregel onvoldoende zorgvuldig is geweest. Zo is onvoldoende gebleken dat hij daadwerkelijk heeft begrepen wat de aan hem opgelegde maatregel inhoudt. Eiser dacht vooral dat hij naar een plaats zou worden gebracht waar hij hulp zou krijgen. Daarmee is niet voldaan aan de door de minister zelf gehanteerde norm, namelijk dat uit de eigen bewoordingen van eiser moet blijken dat hij de gevolgen van de maatregel begrijpt. Het uitreiken van een informatiefolder en het aankruisen dat eiser de maatregel heeft begrepen is daartoe onvoldoende.
4.1.
De rechtbank volgt eiser niet. Uit het verslag van het gehoor toegangsweigering blijkt dat aan eiser is medegedeeld dat hij gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag in de asielgrensprocedure zal verblijven in een gesloten detentiecentrum. Aan eiser is gevraagd om aan te geven wat daarvan de gevolgen voor hem zijn. Eiser heeft verklaard: “
Ik ben hier om geholpen te worden en heb daar geen problemen mee”. Ook is aan eiser gevraagd of sprake is van andere spoedeisende omstandigheden die aanleiding geven om de asielaanvraag in vrijheid te doorlopen. Daarop heeft eiser geantwoord: “
Nee, ik heb er geen problemen mee”. Daarnaast heeft eiser de Engelstalige M19B-informatiefolder met betrekking tot artikel 6, derde lid, van de Vw voor ontvangst ondertekend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voor eiser voldoende duidelijk was dat hij in grensdetentie zou worden geplaatst.
Lichter middel
5. Eiser betoogt dat in de maatregel is volstaan met de standaardformulering dat de maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast. De minister heeft niet kenbaar onderzocht waarom in het geval van eiser geen minder dwingende maatregel mogelijk was.
5.1.
Uit vaste rechtspraak [3] volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
5.2.
Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord. Daarbij heeft eiser desgevraagd aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen.
Kwetsbaarheidsbeoordeling
6. Ook betoogt eiser dat de kwetsbaarheidsbeoordeling onvoldoende inzichtelijk is. Eiser heeft direct bij zijn asielverzoek verklaard dat hij militair is geweest, getuige is geweest van gebeurtenissen en vreest te worden vermoord. Dat zijn signalen die in elk geval aanleiding hadden moeten zijn om door te vragen naar psychische belasting, trauma, angstklachten en bijzondere procedurele of opvangbehoeften. Het enkel vragen of eiser een ernstige ziekte heeft en/of medicijnen gebruikt is daartoe onvoldoende. Er is niet kenbaar onderzocht of sprake is van kwetsbaarheid in de zin van de Screeningsverordening en de Opvangrichtlijn. Ook is het onderdeel over de voorlopige medische controle en kwetsbaarheden ingevuld met summiere ja/nee-antwoorden. Daaruit blijkt niet wie de kwetsbaarheidsbeoordeling heeft verricht, of deze persoon daartoe gespecialiseerd en opgeleid is, welke vragen zijn gesteld, welke informatie is betrokken en hoe de door eiser geuite angst en achtergrond als voormalig militair zijn meegewogen.
6.1.
Uit artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening volgt dat tijdens de screening een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid wordt gemaakt door gespecialiseerd, daartoe opgeleid personeel van de screeningsdiensten. De rechtbank stelt vast dat de minister is aangewezen als verantwoordelijke autoriteit om de screening uit te voeren. In de asielgrensprocedure ligt die bevoegdheid bij de Kmar. [4] [5] Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit ook de bevoegdheid van de Kmar om tijdens de screening een kwetsbaarheidsbeoordeling te verrichten.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat screening van de kwetsbaarheid heeft plaatsgevonden en dat het voorlopige oordeel is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft. De juistheid van die voorlopige conclusie kan worden betwist in de asielprocedure. Bij de maatregel speelt alleen de vraag of iemand om medische of psychische omstandigheden niet de vrijheid kan worden ontnomen. De minister heeft in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel vragen gesteld aan eiser of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat zijn vrijheid niet kan worden ontnomen. Eiser heeft de vraag of hij leidt aan een ernstige ziekte of lichamelijke aandoening waarvoor direct medische hulp noodzakelijk is met “nee” beantwoord. Hetzelfde antwoord heeft eiser gegeven op de vraag of hij last heeft van andere ziektes, lichamelijke aandoeningen of beperkingen. Ook heeft eiser aangegeven dat hij geen medicijnen gebruikt. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat er geen andere spoedeisende omstandigheden zijn die aanleiding geven om zijn asielprocedure in vrijheid te doorlopen. Aan het eind van het gehoor zijn de eigen bevindingen van de verbalisant genoteerd en heeft hij aangegeven dat er geen onmiddellijk identificeerbare lichamelijke of geestelijke handicap en geen zichtbare of merkbare psychische of fysieke trauma’s zijn waargenomen of aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de huidige informatie onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser detentieongeschikt zou zijn. Eiser kan zich zo nodig alsnog wenden tot de medische dienst of een beoordeling laten maken van eventuele detentieongeschiktheid.
Grensbewakingsbelang
7. Eiser voert aan dat het feit dat de maatregel in het kader van grensbewakingsbelang is opgelegd niet betekent dat iedere vreemdeling aan de grens automatisch in detentie mag worden geplaatst. De motivering in de maatregel is in wezen categoraal. Zo heeft de minister gemotiveerd dat eiser aan de grens asiel heeft gevraagd en niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden en dat daarom detentie noodzakelijk wordt geacht. Dat is onvoldoende.
7.1.
De rechtbank verwijst in dit kader naar hetgeen hiervoor onder 5.1. is overwogen. Niet is gebleken van omstandigheden die maken dat de minister had moeten afzien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel.
Het middelenvereiste
8. Eiser betoogt dat de motivering over het ontbreken van voldoende middelen van bestaan feitelijk en juridisch onvoldoende zorgvuldig is. De minister heeft niet daadwerkelijk onderzocht welke middelen eiser feitelijk tot zijn beschikking had, wat de limiet of beschikbaarheid van zijn creditcard was en waarom deze middelen ontoereikend zouden zijn. Daarbij is van belang dat eiser zijn reis kennelijk zelfstandig heeft georganiseerd, een vliegticket had en heeft verklaard ongeveer $ 1.400,- voor de reis te hebben betaald.
8.1
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw volgt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer er geen sprake is van voldoende middelen om te voorzien in bepaalde kosten. In het geval van eiser heeft de ambtenaar op grond van artikel 3, vierde lid, van de Vw de toegangsweigering uitgesteld vanwege de asielaanvraag van eiser. De rechtbank leest in dit artikel niet dat in een dergelijk geval het middelenvereiste niet tegengeworpen zou kunnen worden.
Het ontbreken van een visum
9. Ook stelt eiser dat dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het ontbreken van een mvv [6] of visum wordt tegengeworpen. Eiser heeft aan de grens geen regulier verblijfsdoel gesteld, maar een verzoek om internationale bescherming gedaan. Daarnaast verbleef eiser in de transitruimte en had hij dus geen visum of mvv nodig.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser op het moment dat hij een asielaanvraag heeft ingediend niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden. Gelet hierop heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat hij niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en/of in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt.
Onduidelijkheid over de wettelijke grondslag
10. Tot slot voert eiser aan dat de M19B ook op een ander punt onzuiver is gemotiveerd. In de maatregel is sprake van vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Tegelijkertijd bevat het besluit een onderdeel “
zicht op uitzetting bij vrijheidsontneming op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto het zesde lid, Vw”, waarin is aangekruist dat reisdocumenten voorhanden zijn en dat vertrek kan plaatsvinden met een removal order. Dat onderdeel past niet bij de thans opgelegde maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, die gekoppeld is aan de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure. De verwijzing naar zicht op uitzetting en een removal order maakt de motivering verwarrend en roept de vraag op of de minister de juiste wettelijke grondslag en doelstelling van de maatregel voldoende scherp heeft onderscheiden.
10.1.
Dat in de maatregel ook vinkjes zijn geplaatst bij de vraag of er zicht op uitzetting is, maakt de maatregel niet onrechtmatig. Nu eiser een asielaanvraag heeft ingediend is zicht op uitzetting op dit moment niet aan de orde. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser door de onjuiste vinkjes niet in zijn belangen geschaad.
11. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
4.Koninklijke Marechaussee.
5.Zie artikel 2, tiende lid, van de Screeningsverordening en artikel 2ff van de Vw 2000.
6.Machtiging tot voorlopig verblijf.