ECLI:NL:RBDHA:2026:1909

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
AWB25/14452
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening (EG) nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake visumaanvraag kort verblijf

Verzoekster diende op 10 juli 2024 een aanvraag in voor een visum voor kort verblijf, welke door de minister op 24 juli 2024 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure waarbij de minister het besluit handhaafde, stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 17 december 2025, waarbij werd vastgesteld dat verzoekster aanvankelijk geen volledige machtiging had overgelegd voor haar gemachtigde, maar deze op 18 december 2025 alsnog aan de rechtbank werd toegezonden. De bodemzaak werd inmiddels op 5 februari 2026 behandeld, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- en het griffierecht van € 194,- aan verzoekster. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/14452

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 februari 2026 in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: drs. H.C. van, der Staay),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister,

(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Zij heeft daarnaast ook beroep ingesteld.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft op 10 juli 2024 een aanvraag ingediend om de afgifte van een visum voor kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juli 2024 afgewezen. [1] Met de beslissing op bezwaar van 19 juni 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
2.2.
Op zitting is besproken dat eiseres geen volledige machtiging heeft overgelegd dat haar gemachtigde haar mag vertegenwoordigen in de beroepsprocedure. Op 18 december 2025 heeft eiseres een machtiging aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer AWB 25/14424, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen overwogen in de bodemzaak, aanleiding om de minister ook in deze procedure te veroordelen in de proceskosten die verzoekster in dit verband heeft gemaakt met het indienen van haar verzoekschrift. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank overweegt daarbij dat sprake is van samenhangende zaken en dat in de beroepszaak al een punt is toegekend voor het verschijnen ter zitting.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 934,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 5 februari 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii en b van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode).