ECLI:NL:RBDHA:2026:19084
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening in Utrecht
De zaak betreft het bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren tegen de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV bood opvang en begeleiding aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven, maar is per 1 januari 2025 beëindigd.
De minister stelde dat eiser geen procesbelang meer had omdat hij geen gebruik meer maakt van de LVV-opvang en een verblijfsvergunning heeft verkregen. Hierdoor is eiser niet langer aangewezen op de opvang van de Staat en kan hij gebruikmaken van gemeentelijke voorzieningen zoals bemiddeling voor woonruimte en bijstand.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het procesbelang is komen te vervallen. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de LVV-opvang heeft voor eiser geen feitelijke betekenis meer. Ook het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat de termijn nog niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 19 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.