ECLI:NL:RBDHA:2026:19083

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705871 / KG ZA 26-554
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • T. F. Hesselink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:165 BWArt. 611a Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling hypotheekrente en verkoopopdracht voormalige echtelijke woning na echtscheiding

Partijen zijn sinds 1991 gehuwd in gemeenschap van goederen en eigenaar van de voormalige echtelijke woning gefinancierd met hypotheken bij Nationale Nederlanden en een lening bij het Nationaal Warmtefonds. Na het verzoek tot echtscheiding van de man in februari 2025 zijn voorlopige voorzieningen getroffen waarbij de man het gebruik van de woning kreeg en de vrouw partneralimentatie moest betalen.

De echtscheiding werd in maart 2026 uitgesproken met de verplichting tot gezamenlijke opdracht aan een makelaar voor verkoop van de woning binnen een week na inschrijving van de beschikking. De man is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking en verzocht om schorsing van de uitvoerbaarheid van de verkoopopdracht.

De man vordert betaling door de vrouw van haar aandeel in hypotheekrente en aflossing Nationaal Warmtefonds, terwijl de vrouw vordert dat de man meewerkt aan de verkoopopdracht en de aflossing betaalt. De rechtbank oordeelt dat de vrouw haar aandeel in hypotheekrente niet langer kan betalen en veroordeelt haar tot betaling van de helft, terwijl de man zijn aandeel moet betalen. De vordering van de man tot regres op de vrouw voor aflossingen wordt afgewezen.

De rechtbank wijst de vordering van de vrouw toe dat de man uiterlijk 8 juli 2026 de verkoopopdracht moet tekenen, met een dwangsom bij niet-naleving, en veroordeelt de man tot betaling van 14 maanden aflossing aan het Nationaal Warmtefonds. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Vrouw betaalt helft hypotheekrente, man moet verkoopopdracht tekenen en aflossing Nationaal Warmtefonds betalen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel - voorzieningenrechter
zaaknummer / rolnummer: C/09/705871/ KG ZA 26-554
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
[de man], te [woonplaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. A.J. van Steensel te Den Haag,
tegen
[de vrouw], te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J. Dongelmans. te Nieuwerkerk aan den IJssel.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 juni 2026, met de producties 1-7;
- productie 8 van de man;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie, met de producties 1-19;
- producties 9 en 10 van de man;
- producties 20-23 van de vrouw;
- de op 23 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de advocaten pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 juni 2026 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 6 juni 1991 zijn partijen gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen. Zij zijn eigenaar van de (voormalige) echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De woning is gefinancierd door middel van een aantal hypothecaire geldleningen bij Nationale Nederlanden (hierna: NN).
2.2.
Daarnaast hebben partijen een lopende geldlening bij Stichting Nationaal Warmtefonds (hierna: Nationaal Warmtefonds), waarvoor maandelijks een aflossingsbedrag verschuldigd is.
2.3.
De man heeft op 5 februari 2025 een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend.
2.4.
Bij beschikking van 24 maart 2025 heeft de rechtbank tussen partijen voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij is bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning, dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden en dat de vrouw aan de man met ingang van 4 maart 2025 voorlopig een partneralimentatie van € 1.055,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. In de beschikking is onder meer overwogen dat de vrouw op de zitting heeft aangegeven dat zij bereid is om zowel haar eigen huurlasten als de hypotheeklasten van de woning op zich te nemen, in verband met een hoger fiscaal voordeel.
2.5.
De man bewoont thans de woning. De vrouw bewoont elders een huurwoning.
2.6.
Bij beschikking van 25 maart 2026 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Met betrekking tot de woning heeft de rechtbank onder meer bepaald dat partijen binnen één week na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een gezamenlijke opdracht verstrekken aan [makelaarskantoor] tot verkoop van de woning aan een derde. De rechtbank heeft het verzoek van de man (ex artikel 1:165 BW Pro) tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor een periode van zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand afgewezen. Ten slotte heeft de rechtbank de door de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld. Deze beschikking is - met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding - uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.7.
De man is op 19 juni 2026 in hoger beroep gekomen van de onder 2.6. bedoelde beschikking en hij heeft een incidenteel verzoek gedaan. Dit verzoek strekt ertoe om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de echtscheidingsbeschikking te schorsen voor zover daarin is bepaald dat partijen binnen een week na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gehouden zijn om aan de door de rechtbank aangewezen makelaar de opdracht te verstrekken tot verkoop van de voormalige echtelijke woning. Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat deze schorsing zal gelden tot het moment waarop het hof in de hoofdzaak onherroepelijk heeft beslist over de aanwijzing van de makelaar die de woning zal verkopen c.q. heeft beslist op het verzoek van de man omtrent het voortgezet gebruik van de woning.

3.Het geschil

in conventie

3.1.
De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I de vrouw veroordeelt tot de betaling van de maandelijks verschuldigde hypotheekrente ter zake de hypothecaire geldlening van partijen bij de Nationale Nederlanden onder hypotheeknummer [nummer], telkens uiterlijk op de vervaldatum van iedere maandelijkse termijn;
II de vrouw veroordeelt maandelijks aan de man te betalen een bedrag van € 42,86 betreffende de aflossing op de schuld bij het Nationaal Warmtefonds;
III aan de veroordelingen een dwangsom te verbinden van € 1.000 per dag voor iedere dag, een gedeelte van een dag daartoe gerekend, met een maximum van
€ 250.000 dat de vrouw in gebreke blijft aan deze veroordelingen te voldoen.
3.2.
Hiertoe stelt de man, samengevat, het volgende. De vrouw is op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen van 24 maart 2025 verplicht om de hypotheekrente voor de woning te voldoen. Zij betaalt deze hypotheekrente echter incidenteel niet en/of niet op tijd, dan wel storneert betalingen. Daarnaast is de vrouw verplicht om maandelijks de helft bij te dragen in de aflossing van € 85,72 op de lening bij het Nationaal Warmtefonds. Voor zover de man maandelijks meer betaalt, heeft hij regres op de vrouw.
3.3.
De vrouw voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I de man veroordeelt om uiterlijk 1 juli 2026 de opdracht tot verkoop van de woning te ondertekenen en aan de makelaar [makelaarskantoor] ter hand te stellen, met toezending van een getekende kopie aan de advocaat van de vrouw, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
II de man veroordeelt om maandelijks aan het Nationaal Warmtefonds € 85,72 te betalen betreffende de aflossing op de schuld bij het Nationaal Warmtefonds op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag voor iedere dag, een gedeelte van een dag daartoe gerekend, met een maximum van € 50.000,-;
III de man veroordeelt in de proceskosten.
3.5.
Hiertoe stelt de vrouw, samengevat, het volgende. De man dient mee te werken aan de verkoop van de woning, en maakt misbruik van procesrecht door een kansloos hoger beroep in te stellen tegen de echtscheidingsbeschikking, terwijl hij zelf om echtscheiding en verkoop van de woning heeft gevraagd. Zijn enige doel van het hoger beroep is om de verkoop te vertragen. De vrouw heeft vanaf maart 2025 14 termijnen van € 85,72 aan het Nationaal Warmtefonds betaald. Daarom moet de man, mede gelet op de nijpende financiële situatie van de vrouw, nu eerst 14 termijnen betalen.
3.6.
De man voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden besproken.

4.De beoordeling

Betaling hypotheekrente

4.1.
Niet in geschil is dat - zoals in de beschikking van 24 maart 2025 is vermeld - de vrouw heeft toegezegd om zowel haar eigen huurlasten als de hypotheeklasten voor de leningen bij NN te betalen, dus ook het aandeel van de man in die lasten. Aan die toezegging kan de man de vrouw in beginsel houden. De vrouw stelt zich echter op het standpunt dat zij niet langer in staat is om deze toezegging gestand te doen. Ter onderbouwing hiervan heeft de vrouw gegevens overgelegd over haar maandelijkse inkomen en de vaste lasten (hypotheekrente, partneralimentatie, huur en aflossing Nationaal Warmtefonds), waaruit blijkt dat zij nog circa € 850 per maand over heeft voor andere uitgaven. Daarnaast heeft de vrouw een met haar werkgever gesloten overeenkomst van geldlening van 25 april 2025 voor een bedrag van € 20.000 overgelegd, waarin is overeengekomen dat de lening in november 2026 moet worden afgelost.
4.2.
De man heeft de juistheid van deze gegevens niet bestreden, maar aangevoerd dat de vrouw zelf ervoor heeft gekozen om een ‘extreem dure’ woning te huren en dat de noodzaak voor de geldlening ontbreekt. De vrouw heeft een en ander weersproken en heeft er op gewezen dat zij ook rekening had te houden met bij haar inwonende (volwassen) kinderen. De man heeft dat vervolgens niet betwist. Dat de vrouw zonder financiële redenen de geldlening is aangegaan valt niet aan te nemen. Dit en een ander leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet langer in staat in om het aandeel van de man in de hypotheekrente te betalen. Daarbij komt dat de vrouw heeft aangevoerd dat de man een netto inkomen heeft circa € 3.500 tot € 4.000 per maand (inclusief alimentatie) en dat hij daarom in staat moet worden geacht om zijn aandeel in de hypotheekrente te betalen. De man heeft op zijn beurt geen enkel inzicht verschaft in zijn financiële situatie.
4.3.
Het voorgaande leidt ertoe dat de man zijn eigen aandeel in de hypotheekrente zal moeten gaan betalen, zodat zijn vordering slechts toewijsbaar is tot het aandeel van de vrouw. Er zal geen dwangsom worden opgelegd, omdat dit bij een veroordeling tot betaling van een geldsom niet mogelijk is (artikel 611a, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
regres inzake Nationaal Warmtefonds?
4.4.
De vrouw heeft onweersproken aangevoerd, dat zij in de periode vanaf 3 maart 2025 14 termijnen van de gemeenschappelijke schuld aan het Nationaal Warmtefonds heeft voldaan. Gelet hierop is er op dit moment geen sprake van een regresrecht van de man voor die lasten op de vrouw. Zijn vordering de vrouw te veroordelen om een maandelijks bedrag aan de man te betalen voor de aflossing van de schuld bij het Nationaal Warmtefonds zal dus worden afgewezen.
proceskosten
4.5.
Omdat partijen (voormalig) echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.
in reconventie
Verkoopopdracht verstrekken?
4.6.
Beoordeeld moet worden of de man, ondanks dat de opschortende voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de openbare registers genoemd in de beschikking van 25 maart 2026 nog niet is vervuld, kan worden verplicht om een verkoopopdracht voor de woning te verstrekken. De vrouw meent dit het geval is, omdat volgens haar de man met het hoger beroep tegen de beschikking uitsluitend beoogt om de verkoop van de woning uit te stellen, terwijl hij zelf met de verkoop mee heeft ingestemd. Zij kwalificeert dat als misbruik van (proces)recht. De man heeft als verweer aangevoerd dat hij met zijn hoger beroep gebruik maakt van een recht en dat de door hem aangevoerde gronden niet op voorhand kansloos zijn. De man bewoont de echtelijke woning en stelt druk op zoek te zijn naar andere betaalbare woonruimte, maar die heeft hij nog niet gevonden. De rechtbank heeft zijn verzoek tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning afgewezen. Omdat de termijn van artikel 1:165 BW Pro direct is gekoppeld aan de inschrijving van de echtscheiding, heeft de man een rechtens te respecteren belang bij het aantekenen van hoger beroep tegen de uitgesproken echtscheiding, aldus nog steeds de man.
4.7.
De voorzieningenrechter volgt de man niet in zijn verweer. De man beroept zich er op dat niet is voldaan aan de door de rechter opgelegde aan de verkoop van de woning verbonden voorwaarde dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven. Dat aan die voorwaarde niet is voldaan, is juist. De omstandigheden van het geval brengen echter mee dat hij daarop naar voorshands oordeel, gelet op de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding van partijen beheerst, geen beroep kan doen en dat dit beroep daarom als misbruik van recht kwalificeert. Voor dat oordeel is het volgende redengevend.
4.8.
Partijen willen beiden scheiden en zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht. De man probeert zijn verblijf in de woning zo lang mogelijk te rekken door hoger beroep aan te tekenen tegen de echtscheiding. Niet in geschil is dat zonder dat hoger beroep inmiddels zou zijn voldaan aan de aan de verkoop van de woning verbonden voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
4.9.
De man stelt dat zijn hoger beroep tegen de echtscheiding niet is bedoeld om de echtscheiding ongedaan te maken, maar (naar de voorzieningenrechter begrijpt: uitsluitend) om de datum waarop de beschikking kan worden ingeschreven uit te stellen. De man stelt dat hij hierbij belang heeft omdat hij nog geen alternatieve woonruimte heeft gevonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt de man daarmee gebruik van een procesrechtelijke bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor deze in het leven is geroepen en handelt hij daarmee in strijd met de redelijkheid en billijkheid die partijen, als gewezen partners, jegens elkaar in acht moeten nemen. In dat verband is van belang dat de vrouw genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat zij financieel klem zit en het niet veel langer kan opbrengen om zowel haar huurwoning als de echtelijke woning te financieren, en dat zij binnenkort ook een door haar werkgever verstrekte lening van € 20.000 moet terugbetalen. De vrouw heeft dus een, overigens ook door de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking onderkend, zwaarwegend belang bij een spoedige verkoop van de woning. Daartegenover weegt het belang van de man om door middel van deze procesrechtelijke “truc” nóg meer tijd te krijgen om naar alternatieve huisvesting te zoeken minder zwaar. Zoals ook in de echtscheidingsbeslissing al is overwogen, is het aannemelijk dat de man, gelet op het verkoopproces van de woning, ook nadat de woning in de verkoop wordt gezet nog enkele maanden de tijd zal hebben om geschikte andere woonruimte te vinden. Bovendien verblijft hij al geruime tijd alleen in de woning en heeft hij al ruim de gelegenheid gehad om zich te oriënteren op het vinden van andere woonruimte, omdat vaststaat dat hij er niet kan blijven wonen. Gesteld noch gebleken is immers dat de vrouw voornemens is de man uit de woning te doen vertrekken zodra de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven. De voorzieningen-rechter is het daarom met de vrouw eens dat het beroep van de man op de opschortende voorwaarde van inschrijving van de echtscheiding in dit geval misbruik van recht oplevert.
4.10.
Er is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen sprake van een zodanige onevenredigheid tussen het belang van de man om de verkoop van woning uit te stellen en het spoedeisend belang van vrouw om niet langer in de onverdeeldheid van de woning, waarvan zij nog steeds haar deel van de hypotheekrente moet dragen, te blijven zitten, dat het belang van de vrouw bij spoedige verkoop prevaleert. Dit leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat dat de man geen beroep toekomt op de opschortende voorwaarde in de beschikking zodat de man nu zal moeten meewerken aan de verkoop van de woning door het tekenen van de verkoopopdracht. De man zal dus niet zal mogen wachten tot de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven.
4.11.
De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij bezwaar heeft tegen makelaar [makelaarskantoor], omdat deze makelaar volgens de man niet bereid is gebleken rekening te houden met de belangen van de man en ook niet vanwege het hoge tarief van deze makelaar. De man heeft dat bezwaar niet verder toegelicht. De vrouw heeft tijdens de zitting, onweersproken, aangevoerd dat partijen deze makelaar gezamenlijk al in januari/februari 2025 hebben ingeschakeld, dat deze makelaar al een verkooptaxatie heeft uitgevoerd en een verkoopopdracht heeft opgesteld. Dat deze makelaar, zoals de man ter zitting nog heeft verklaard, recent contact met de vrouw heeft gehad, brengt niet zonder meer mee dat nu aan de onafhankelijkheid van de makelaar moet worden getwijfeld.
4.12.
Dit een en ander leidt ertoe dat de vordering van de vrouw zal worden toegewezen, in die zin dat de man uiterlijk 8 juli 2026 de verkoopopdracht zal moeten tekenen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden. Deze zal worden gematigd tot € 500 per dag en gemaximeerd tot € 50.000.
Betaling Nationaal Warmtefonds
4.13.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de vrouw in de periode vanaf 3 maart 2025 14 termijnen van de gemeenschappelijke schuld aan het Nationaal Warmtefonds voldaan. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich in de nijpende financiële situatie bevindt en dat van de man in redelijkheid kan worden gevergd dat hij nu een periode de aflossing van deze schuld betaalt. Daarom zal de vordering van de vrouw worden toegewezen voor een periode van 14 maanden na heden. Er zal geen dwangsom worden opgelegd.
Proceskosten
4.14.
Omdat partijen (voormalige) echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw tot betaling van de helft van de maandelijks verschuldigde hypotheekrente ter zake de hypothecaire geldlening van partijen bij de Nationale Nederlanden onder hypotheeknummer [nummer], telkens uiterlijk op de vervaldatum van iedere maandelijkse termijn;
5.2.
verklaart de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of andere gevorderde af;
in reconventie
5.5.
veroordeelt de man om uiterlijk 8 juli 2026 de opdracht tot verkoop van de woning aan de [adres] de [plaats] te ondertekenen en aan de makelaar [makelaarskantoor] ter hand te stellen, met toezending van een getekende kopie aan de advocaat van de vrouw, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum aan dwangsommen van € 50.000;
5.6.
veroordeelt de man om vanaf heden voor de duur van 14 maanden € 85,72 per maand te betalen aan het Nationaal Warmtefonds met betrekking tot de aflossing op de schuld bij het Nationaal Warmtefonds;
5.7.
verklaart de veroordelingen onder 5.5 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.9.
wijst het meer of andere gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
lh