ECLI:NL:RBDHA:2026:19068
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening
De zaak betreft een bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister om de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht te beëindigen. De LVV bood opvang en begeleiding aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser geen procesbelang meer zou hebben.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser heeft inmiddels een verblijfsvergunning gekregen en is daardoor niet langer aangewezen op de LVV voor opvang of begeleiding. Hij kan gebruik maken van andere voorzieningen bij de gemeente, zoals bemiddeling voor woonruimte en bijstand in noodzakelijke kosten.
De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze alternatieven en concludeert dat het procesbelang is komen te vervallen. Ook wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat deze termijn niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven.
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de LVV is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.