ECLI:NL:RBDHA:2026:19059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/4116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na ingetrokken beroep wegens vertraagde beslissing verblijfsvergunning

Verzoekster stelde op 15 maart 2026 beroep in tegen de minister van Asiel en Migratie vanwege het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning voor familie en gezin. De minister nam op 17 maart 2026 alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep op 25 april 2026 introk en verzocht om een proceskostenveroordeling van de minister.

De rechtbank stelde de minister in de gelegenheid te reageren op het verzoek, maar ontving geen reactie. De rechtbank oordeelde dat de minister met het besluit tegemoet was gekomen aan het beroep van verzoekster, waardoor het verzoek om proceskostenveroordeling gegrond was.

De proceskostenvergoeding werd berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), waarbij voor de ingediende beroepshandeling een vast bedrag van € 934 werd gehanteerd, vermenigvuldigd met een factor 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak, resulterend in een vergoeding van € 467.

Daarnaast werd verzoekster vrijstelling van griffierecht toegekend wegens betalingsonmacht, waardoor de minister niet verplicht was het griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens vertraagde beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/4116

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[verweerster] , verzoekster,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Fouad Fattal),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten.
1.1.
Verzoekster heeft op 15 maart 2026 beroep ingesteld, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel ‘familie en gezin’.
1.2.
Op 17 maart 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen.
1.3.
Op 25 april 2026 heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
1.4.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft niet gereageerd.
1.5.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
4. Op 15 maart 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om een verblijfsvergunning. De minister heeft op 17 maart 2026 alsnog beslist. Hiermee is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.
6. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting griffierecht te betalen vanwege betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe. De minister is dan ook niet gehouden om op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).