ECLI:NL:RBDHA:2026:19048

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.18838 NL26.18839
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:83 AwbArt. 18 lid 1 sub b Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres, van Eritrese nationaliteit, diende op 17 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat zij op 18 september 2025 al een verzoek om internationale bescherming in België had ingediend. Nederland verzocht België om terugname op grond van de Dublinverordening, waarmee België instemde.

De minister nam de aanvraag van eiseres niet in behandeling omdat België verantwoordelijk werd geacht. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit, maar vermeldde geen gronden in haar beroepschrift. De rechtbank gaf haar de mogelijkheid om deze alsnog in te dienen, maar hier werd geen gebruik van gemaakt. De gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met eiseres en er is geen andere gemachtigde aangewezen.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van gronden en het niet tijdig herstellen van dit verzuim. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen, zoals een schending van artikel 3 EVRM Pro bij gedwongen overdracht. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en er volgt geen inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.18838 en NL26.18839
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres], geboren op [geboortedag] 1998, van Eritrese nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en haar verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 april 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiseres de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Bestreden besluit
2. Op 17 december 2025 heeft eiseres een asielaanvraag ingediend in Nederland. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 18 september 2025 in België een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Om deze reden heeft Nederland de autoriteiten van België op 4 februari 2026 verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening [1] . Op 5 februari 2026 zijn de Belgische autoriteiten hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
Overwegingen
3. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, van de Awb dient een beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Als dat niet het geval is, kan op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarbij geldt de voorwaarde dat de indiener de gelegenheid moet hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
4. Bij digitaal bericht van 3 april 2026 is aan eiseres meegedeeld dat het beroepschrift geen gronden bevat. In ditzelfde bericht is de gelegenheid geboden om uiterlijk 10 april 2026 de gronden alsnog in te dienen, waarbij is vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als er geen gronden worden ingediend. Deze termijn is verstreken zonder dat van die gelegenheid gebruik is gemaakt.
5. Bij bericht van 14 april 2026 is de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 21 april 2026 aan de rechtbank te laten weten of er redenen zijn waarom de gronden niet zijn ingediend. Bij bericht van 14 april 2026 heeft de gemachtigde van eiseres laten weten dat er geen gronden zijn ingediend, omdat de gemachtigde geen contact meer heeft met eiseres. Bij de rechtbank is niet bekend dat eiseres een andere gemachtigde in de arm heeft genomen.
6. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
7. De rechtbank ziet zich verder voor de vraag gesteld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest Bahaddar [2] van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die maken dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege moet blijven. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor als wat is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet op de inhoud van het digitale zaakdossier is de rechtbank van oordeel dat hiervan in dit geval geen sprake is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijk beoordeling van het beroep. Omdat bij deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep (NL26.18838) niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.18839) af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Arrest van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.