ECLI:NL:RBDHA:2026:19042
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen maatregel bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie heeft op 22 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan verzoeker op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht op 28 mei 2026 om een voorlopige voorziening om in vrijheid gesteld te worden en zelfstandig te kunnen vertrekken naar Zweden.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting. Verzoeker stelde dat hij een treinticket had gekocht voor vertrek op 29 mei 2026, wat een spoedeisend belang zou vormen. Uit het dossier bleek echter dat een eerder verzoek om zelfstandig vertrek was afgewezen omdat het vertrektraject niet voldeed aan de geldende voorwaarden en afspraken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het enkele bezit van een treinticket niet voldoende is om te spreken van een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject en dat de behandeling van het beroep op 1 juni 2026 niet kan worden afgewacht. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de maatregel van bewaring wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject.