ECLI:NL:RBDHA:2026:1897
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 28 oktober 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in uitspraken van 18 november en 23 december 2025.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de maatregel sinds het sluiten van het laatste onderzoek op 19 december 2025 rechtmatig is gebleven. Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is vanwege het ontbreken van een laissez-passer en dat de minister onvoldoende voortvarend is in de uitzetting. De rechtbank oordeelt dat de minister met het vertrekgesprek van 19 december 2025 heeft voldaan aan zijn verplichting tot uitzettingshandelingen en dat een nieuwe presentatie gepland staat.
Eiser stelde ook dat de minister een lichter middel had moeten toepassen vanwege zijn psychosomatische klachten en dat de belangenafweging ondeugdelijk was. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken en concludeert dat geen aanleiding bestaat voor een ander oordeel. De belangen van de minister wegen in de eerste zes maanden zwaarder, tenzij bijzondere omstandigheden worden gesteld, wat hier niet het geval is.
De rechtbank ziet ook bij ambtshalve toetsing geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.