ECLI:NL:RBDHA:2026:18946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/698704 / KG ZA 26-106
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voorlopige zorgregeling met begeleide omgang tussen vader en minderjarige

De moeder en vader, die samen een minderjarig kind hebben, zijn in geschil geraakt over de zorgregeling na het beëindigen van hun relatie in januari 2026. Eerder was een zorgregeling vastgesteld waarbij het kind regelmatig bij de vader verbleef. De moeder vordert een verbod op de uitvoering van deze regeling en wil begeleide omgang onder professionele begeleiding.

De vader verzet zich en wil de oorspronkelijke regeling zonder begeleiding voortzetten, omdat hij een warme band met het kind heeft en ontkent huiselijk geweld. De rechtbank weegt de belangen en constateert dat het contact snel moet worden hervat, maar onder begeleiding vanwege de spanningen en zorgen over het welzijn van het kind.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af die de oorspronkelijke regeling zonder begeleiding willen afdwingen en stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij de omgang onder begeleiding van een erkende instantie plaatsvindt. De regie over de omgang en het tempo van uitbreiding ligt bij deze instantie, in overleg met de ouders. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij het contact tussen vader en minderjarige onder professionele begeleiding plaatsvindt.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/698704 / KG ZA 26-106
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats 1],
eiseres,
advocaat mr. A. Sangar te Rotterdam.
tegen:
[de vader],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. W.N. Sardjoe te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie.
1.2
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026.
1.3
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het bericht van de moeder van 18 april 2026, met bijlage;
- het bericht van de moeder van 30 april 2026;
- het bericht van de vader van 6 mei 2026.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2
Zij zijn de ouders van het volgende, nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats];
2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2022 is een zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] – voor zover van belang – bij de vader verblijft:
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 15.00 uur;
- eenmaal per veertien dagen, op de woensdag na het weekend dat [minderjarige] niet bij de vader is geweest, van 08.00 uur tot 17.00 uur.
2.4
De affectieve relatie van partijen is in 2023 hersteld en de samenwoning is toen hervat, maar in januari 2026 is het weer tot een breuk gekomen. De vader heeft de huurwoning toen verlaten en is (tijdelijk) bij zijn ouders ingetrokken.
2.5
Partijen hebben sindsdien veel geschillen, onder meer over de zorgregeling. In dat kader is Veilig Thuis betrokken geraakt.

3.Het geschil

in conventie
3.1
De moeder vordert – zakelijk weergegeven –:
- de vader te verbieden uitvoering te geven aan de bij beschikking van 16 mei 2022 vastgestelde zorgregeling voor de duur van het kort geding en zolang geen andersluidende beslissing in een bodemprocedure is gegeven;
- de vader te bevelen zijn volledige medewerking te verlenen aan begeleid contact tussen hem en [minderjarige], onder begeleiding van een professionele en daartoe gekwalificeerde omgangsbegeleidingsinstantie;
- de vader te bevelen zijn medewerking te verlenen aan de aanmelding bij en deelname aan een erkende omgangsbegeleidingsinstantie, en zich te houden aan de door deze instelling te bepalen frequentie, duur en voorwaarden van het contact;
- de vader te veroordelen tot afgifte van de sleutel van de huurwoning van partijen, binnen één week na het te wijzen vonnis, met bevel dat de vader de huurwoning niet meer mag betreden en dat de moeder met uitsluiting van de vader gerechtigd is tot het gebruik van de huurwoning gelegen te [plaats], aan het adres [adres];
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De relatie van partijen is in januari 2026 definitief geëindigd. De spanningen tussen hen lopen al lange tijd op en volgens de moeder is sprake geweest van huiselijk geweld. [minderjarige] is hiervan meermaals getuige geweest, waarbij de vader ook eenmaal een stoel in haar richting heeft gegooid. Hiervan is [minderjarige] enorm geschrokken en zij geeft aan bang te zijn voor de vader. Sindsdien vertoont [minderjarige] weerstand bij de contactmomenten met de vader en de moeder heeft het contact daarom, naar haar zeggen op advies van Veilig Thuis, stopgezet. De moeder vindt het van groot belang dat contact bestaat tussen de vader en [minderjarige], maar gelet op de zorgen, die ook worden beschreven in het eindverslag van Crisis Ambulant (CRAM) via [zorginstantie 1], kan dat op dit moment enkel onder professionele begeleiding.
3.3
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
De vader vordert – zakelijk weergegeven –:
- de moeder te veroordelen om de zorgregeling, die is vastgesteld bij beschikking van 16 mei 2022 na te komen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de moeder niet meewerkt;
- te bepalen dat de moeder eraan meewerkt dat de vader de goederen zal krijgen die hij nodig heeft, zoals omschreven in randnummer 27 van de conclusie van antwoord.
3.5
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 16 mei 2022 is nog altijd van kracht. Er is niet gebleken van zeer bijzondere omstandigheden op basis waarvan deze zorgregeling niet meer kan worden nageleefd. Ten tijde van de vaststelling ervan was [minderjarige] nog een stuk jonger en ook toen bestond er geen aanleiding om het contact onder begeleiding te laten plaatsvinden. De vader en [minderjarige] hebben een warme band, zo wordt ook beschreven door [zorginstantie 1]. Tussen de ouders was weliswaar sprake van ruzies, maar de vader ontkent de moeder te hebben geslagen. Hij heeft het gevoel dat de moeder [minderjarige] negatief beïnvloedt en wil dat de zorgregeling zo snel mogelijk wordt hervat.
3.6
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en reconventie
4.1
Gelet op de nauwe samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
4.2
De moeder heeft op de zitting de vordering ten aanzien van de huurwoning ingetrokken. Gebleken is dat de vader inmiddels heeft meegewerkt aan een wijziging van het huurcontract en zij vooralsnog in de woning kan blijven. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat partijen nu ook in onderling overleg afspraken zullen maken over de afgifte van spullen uit de woning aan de vader, zodat zij hierover in dit kort geding geen beslissing zal nemen.
Zorgregeling
4.3
Tussen de ouders is niet in geschil dat er op korte termijn weer contact moet komen tussen de vader en [minderjarige]. De vader wil daarbij de regeling zoals opgenomen in de beschikking uit 2022 direct weer volgen, maar de moeder vindt dat het contact moet worden opgebouwd en op dit moment alleen onder begeleiding kan plaatsvinden. Op de zitting is hierover met partijen gesproken, waarbij ook de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming advies heeft gegeven. Daarbij is door de voorzieningenrechter benadrukt dat het gebrek aan vertrouwen op partnerniveau een grote rol speelt in het geschil maar het toch van belang is dat het contact van de vader met [minderjarige] zo snel mogelijk wordt hervat, en wel op een manier die perspectief biedt voor een stabiele zorgregeling op de langere termijn. De moeder heeft toen aangegeven dat [zorginstantie 2] op korte termijn kan starten met begeleide omgang. De vader heeft gezegd bereid te zijn tot begeleide omgang, mits dat tot snel contactherstel zal leiden. Vervolgens is de zaak aangehouden om te bezien of partijen de begeleide omgang kunnen regelen. Na de zitting is schriftelijk bevestigd door [zorginstantie 2] dat zij direct kunnen starten met begeleide omgang, zo blijkt uit het aanvullende stuk dat door de moeder is ingediend. Inmiddels zijn partijen hier ook daadwerkelijk gestart.
4.4
De voorzieningenrechter zal daarom vaststellen dat het contact tussen de vader en [minderjarige] voorlopig onder begeleiding van [zorginstantie 2] zal plaatsvinden. Zij hebben ook zicht op de verdere hulpverlening voor partijen en [minderjarige], zodat zij kunnen monitoren hoe [minderjarige] reageert op het contact met de vader, of uitbreiding van de omgang mogelijk is, en zo ja op welke wijze. Hoewel het uitgangspunt is dat wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang, zal de voorzieningenrechter niet vaststellen op welke termijn het contact weer zonder begeleiding kan plaatsvinden, omdat dit sterk afhankelijk is van het verloop van de hulpverlening. Partijen kunnen hierover in samenspraak met de omgangsbegeleiding afspraken maken.
Dwangsom
4.5
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de moeder een dwangsom op te leggen als middel tot nakoming van de (begeleide) omgang, zoals door de vader is gevorderd. Hetzelfde geldt voor de vorderingen van de moeder tot een verbod tot het uitvoeren van de zorgregeling uit 2022 en veroordeling van de man tot nakoming van de begeleide omgang. Deze vorderingen zullen worden afgewezen. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken leidt de voorzieningenrechter namelijk af, dat de vader en de moeder het beiden van groot belang vinden dat er weer geregeld contact komt tussen de vader en [minderjarige]. Zij gaat er dan ook vanuit dat beide partijen, in het belang van [minderjarige], zich vol zullen inzetten om de (begeleide) omgang goed te laten verlopen en de adviezen van de hulpverlening op dat punt zullen volgen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
5.1
stelt, in afwijking in zoverre van de beschikking van 16 mei 2022 van de rechtbank Den Haag, een
voorlopigezorgregeling vast, waarbij het contact tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder begeleiding van [zorginstantie 2], waarbij de regie voor de verdere invulling van de (begeleide) omgang en het tempo van uitbreiding daarvan, bij [zorginstantie 2] wordt neergelegd, een en ander in samenspraak met de ouders;
5.2
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
SB