ECLI:NL:RBDHA:2026:18938

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/684275 / C/09/684275
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:402 BWArt. 3 AlimentatieverordeningHaags Protocol 2007
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over hoofdverblijfplaats, omgang en kinderalimentatie na beëindiging relatie ouders

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de moeder over de hoofdverblijfplaats, omgang en kinderalimentatie van hun twee minderjarige kinderen. De ouders hebben een turbulente relatie gehad, waarbij de moeder met de kinderen is vertrokken na incidenten die leidden tot een strafzaak tegen de vader met een contact- en locatieverbod.

De rechtbank bevestigt dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben, aangezien dit in het belang van de kinderen is en partijen het hierover eens zijn. De omgang tussen vader en kinderen is sinds een jaar niet meer geweest, maar zal worden hervat onder begeleiding van een hulpverleningsinstantie, met een regeling voor begeleid contact op zaterdag of woensdagmiddag.

Tot aan de start van de omgangsbegeleiding is videocontact op zaterdagmiddag toegestaan, waarbij de moeder op de achtergrond aanwezig is. De rechtbank wijst de vader en moeder aan om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding. Ten aanzien van kinderalimentatie wordt vastgesteld dat de vader €425 per maand betaalt, ingaand op de datum van de beschikking, 9 juni 2026, omdat terugwerkende kracht niet gerechtvaardigd is.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben, stelt een begeleide omgangsregeling vast en legt kinderalimentatie van €425 per maand met ingang van de beschikkingdatum op.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3140
Zaaknummer: C/09/684275
Datum beschikking: 9 juni 2026

Hoofdverblijfplaats, omgang, en kinderalimentatie

Beschikking op het op 22 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Bhulai te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
volgens de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) geëmigreerd naar [land] ,
advocaat: mr. J. Dekker te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 6 mei 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage;
  • het F9-formulier van 7 augustus 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 14 oktober 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage;
  • het aanvullend/gewijzigd verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 30 april 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
[minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.
Op 12 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een tolk B. Karpinska;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door een tolk M. Zagórska-Bibo;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft de kinderen erkend. De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
- De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder.
- De moeder, de vader en de kinderen hebben de Poolse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – na wijziging – te bepalen dat:
  • de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder;
  • de vader het recht op omgang met de kinderen wordt ontzegd;
  • de vader zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met € 425,- per maand, bij vooruitbetaling aan de moeder, met ingang van datum indiening van het verzoekschrift;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht te bepalen dat de vader omgang mag hebben met de kinderen elke zaterdag van 14:00 uur tot 16:00 uur onder begeleiding, althans een minimale omgangsregeling vast te stellen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders zijn het erover eens dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Omdat de rechtbank niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en bepalen dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij haar hebben.
Vaststelling omgangsregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de omgang.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende duidelijk geworden. De ouders hebben een turbulente relatie met elkaar gehad, waarbij er veel spanningen waren in de thuissituatie. Uiteindelijk is de moeder vertrokken met de kinderen en heeft zij tegen de vader aangifte gedaan van bedreiging, mishandeling, vernieling en smaad/laster. In de daarop volgende strafzaak heeft de vader als schorsingsvoorwaarde een contact- en locatieverbod opgelegd gekregen; hij mag op geen enkele wijze contact met de moeder of de kinderen opnemen, en mag zich niet bevinden binnen een straal van 500 meter van de woning van de moeder en de school van de kinderen. De zitting in de strafzaak staat gepland op 25 juni 2026. De gehele situatie heeft ertoe geleid dat de vader en de kinderen elkaar al een jaar niet hebben gezien. De ouders zijn het erover eens dat de omgang tussen de vader en de kinderen weer moet worden hervat onder begeleiding van een hulpverleningsinstantie. Daarom heeft de rechtbank op de zitting met de ouders gesproken over een verwijzing naar Omgangsbegeleiding. Beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject Omgangsbegeleiding. Daarbij zijn de ouders overeengekomen dat de vader en de kinderen op de zaterdag, en als dat niet mogelijk is op de woensdagmiddag, voor twee uur bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie zijn voor begeleid contact. In het geval de zaterdag of de woensdag niet haalbaar blijkt te zijn, verwacht de rechtbank van de ouders dat zij in onderling overleg met de uitvoerende hulpverleningsinstantie een afwijkende afspraak zullen maken.
De rechtbank zal de verdere opbouw van de omgangsregeling aan de uitvoerende hulpverleningsinstantie overlaten, waarbij het uiteindelijke doel is dat de omgang tussen de vader en de kinderen onbegeleid plaatsvindt. De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de omgangsregeling dus niet aanhouden in afwachting van de resultaten van het traject Omgangsbegeleiding.
Daarnaast zijn de ouders overeengekomen dat de vader en de kinderen, totdat de omgangsbegeleiding wordt gestart, iedere zaterdag tussen 14:00 uur en 16:00 uur videocontact hebben met elkaar voor een half uur, in aanwezigheid van de moeder (op de achtergrond). Omdat de vader zich vooralsnog aan het contact- en locatieverbod dient te houden, is het daarbij belangrijk da
t de moederde vader belt en dat de vader tijdens het videocontact met de kinderen
geen contact zoektmet de moeder.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is op 18 mei 2026 al per e-mail verzonden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking ook per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk rechtDe Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening bevoegd om van de alimentatieverzoeken kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van Pro het Haags Protocol 2007 het Nederlandse recht toepassen op de verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ) hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders zijn het erover eens dat de vader een kinderalimentatie zal betalen van € 425,- per maand. Echter, zij zijn het niet eens over de ingangsdatum. De moeder verzoekt de ingangsdatum op de datum van indiening van het verzoekschrift te bepalen, te weten 22 april 2025, terwijl de vader van mening is dat de ingangsdatum op de datum van de beschikking moet worden bepaald.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:402 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de wetgever de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Daarbij liggen drie ingangsdata het meest voor de hand:
  • de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn;
  • de datum van indiening van het verzoekschrift;
  • de datum van de beschikking.
Volgens vaste jurisprudentie moet de rechtbank terughoudend omgaan met het vaststellen van een alimentatieverplichting met terugwerkende kracht. De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie geen sprake is van zodanige omstandigheden die vaststelling van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht (van meer dan één jaar) rechtvaardigen. De rechtbank acht het daarom redelijk om de datum van deze beschikking als ingangsdatum te hanteren.
Uitgaande van bovenstaande zal de rechtbank de door de vader met ingang van de datum van deze beschikking, te weten 9 juni 2026, aan de moeder ten behoeve van de kinderen te betalen kinderalimentatie bepalen op € 425,- per maand (in totaal).

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de moeder] (de moeder),
wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,
en
[de vader] (de vader),
waarvan de verblijfplaats onbekend is,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
bepaalt een omgangsregeling, waarbij de vader en de kinderen:
  • totdat de omgangsbegeleiding is gestart:iedere zaterdag tussen 14:00 uur en 16:00 uur videocontact hebben met elkaar voor een half uur, in aanwezigheid van de moeder (op de achtergrond), waarbij de moeder de vader belt;
  • vanaf dat de omgangsbegeleiding is gestart:iedere zaterdag, en als dat niet mogelijk is op de woensdagmiddag of een in onderling overleg met de hulpverleningsinstantie nader te bepalen dag, voor twee uur bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie zijn voor begeleid contact, waarbij de verdere opbouw van de omgangsregeling aan de hulpverleningsinstantie wordt overgelaten met als uiteindelijk doel onbegeleid contact tussen de vader en de kinderen;
*
bepaalt dat de vader, met ingang van 9 juni 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 425,- per maand (in totaal) zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juni 2026.