ECLI:NL:RBDHA:2026:18913

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34861
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in asielprocedure

De eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek bevestigd.

De eiser stelde dat de behandeling van het asielberoep te laat plaatsvindt, waardoor de maatregel onrechtmatig zou zijn geworden. De rechtbank oordeelt echter dat de termijn van drie maanden nog niet is verstreken en dat er voldoende zicht is op een voortvarende behandeling van het asielberoep, mede omdat de zitting gepland staat op 9 juli 2026 en de uitspraak spoedig zal volgen.

De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34861

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).

Procesverloop

Verweerder heeft op 8 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juni 2026 (in de zaak NL26.29824) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening pas op 9 juli 2026 op zitting zijn gepland. Dat is na het verstrijken van de bewaringstermijn. Het feit dat eiser verzocht heeft om uitstel van de zitting is uitsluitend gedaan in het belang van een zorgvuldige voorbereiding van de zaak en kan niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder heeft in de asielprocedure kennelijk niet voortvarend genoeg gehandeld zodat op de zaak binnen de wettelijke termijn een inhoudelijk beslissing kan worden genomen. Het moet voor rekening en risico van verweerder komen dat de inhoudelijke behandeling van het asielberoep na het verstrijken van de bewaringstermijn zal plaatsvinden. Daarbij heeft verweerder miskent dat weliswaar het asielberoep op 9 juli 2026 zal worden behandeld, maar de rechtbank dient nog wel uitspraak te doen. Nu vaststaat dat de maximale termijn niet zal worden gehaald is de maatregel vanaf dat moment onrechtmatig en dient deze te worden opgeheven.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening zullen op 9 juli 2026 op zitting worden behandeld en de verwachting is dat de rechtbank zo spoedig mogelijk uitspraak zal doen. Verweerder stelt terecht dat de termijn van drie maanden pas afloopt op 19 juli 2026. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de gemachtigde van eiser stelt, er voldoende zicht is op een voortvarende behandeling van de asielaanvraag. Zo heeft verweerder op 23 april 2026 bij de rechtbank een verzoek gedaan om de voorlopige voorziening naar voren te halen. Terwijl eiser juist een verzoek heeft gedaan om uitstel van de behandeling van het asielberoep wat door de rechtbank is afgewezen. Verweerder kan dan ook niet worden verweten dat onvoldoende voortvarend wordt gehandeld aan de behandeling van het asielberoep. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat verweerder het behandelen van de asielaanvraag voortvarend heeft behandeld, nu de asielaanvraag op 8 april 2026 is gedaan en op 19 april 2026 een afwijzende beschikking is genomen.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [1] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht. [2] Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
2.Zie het arrest het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, r.o. 24 en 31