ECLI:NL:RBDHA:2026:18896

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34537
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.A. Berghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 59c Vreemdelingenwet 2000Art. 5.5 VreemdelingenbesluitArt. 5.6, eerste lid, VreemdelingenbesluitArt. 106, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

De zaak betreft een beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft deze maatregel opgelegd vanwege een onderduikrisico en het risico dat eiser de uitzettingsprocedure zou ontwijken of belemmeren.

Eiser voerde aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij op eigen initiatief zou terugkeren naar België en vervolgens naar Marokko. De minister betwistte dit en stelde dat eiser onvoldoende meewerkte en zich niet aan de meldplicht hield.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht geen lichter middel heeft toegepast, gelet op de niet-bestreden gronden en het risico op onttrekking aan toezicht. Er zijn geen persoonlijke omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigen. De ambtshalve toetsing bevestigt dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden is voldaan.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter W.A. Berghuis en griffier J.M. Pattynama op 6 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.34537
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel
.Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Bentaieb als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.3 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.4 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.5 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.6

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van
3 Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4 Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
5 Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
6 Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
het Vb heeft gehouden;
meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat er door de minister onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijkheid van terugkeer op eigen initiatief. Hiertoe stelt eiser dat hij naar België gaat, zijn paspoort regelt en dan naar Marokko gaat.
5.1.
De minister stelt dat hij terecht geen lichter middel heeft opgelegd en hij de oprechtheid van eiser betwijfelt om op eigen initiatief te willen vertrekken. De minister voert hiertoe aan dat er geen actie is ondernomen om eerder documentatie te regelen, niet eerder op eigen initiatief is vertrokken, MOB is geweest en zich niet aan zijn meldplicht heeft gehouden.
5.2.
De minister heeft voldoende gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de niet-bestreden gronden van de maatregel en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestond. Niet is gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend zouden maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.7

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
7 Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.