ECLI:NL:RBDHA:2026:18891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL25.44501
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing uitstel van vertrek op medische gronden bevestigd door rechtbank

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op medische gronden, welke door de minister is afgewezen op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). De minister stelde dat eiser onder begeleiding van een maatschappelijk werker kan reizen en dat er geen medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden te verwachten is bij terugkeer.

Eiser betwistte in beroep de juistheid en inzichtelijkheid van het BMA-advies en voerde aan dat de minister niet aan zijn vergewisplicht had voldaan. De rechtbank overwoog dat het BMA-advies een deskundigenadvies is waarop de minister mag vertrouwen, tenzij concrete aanwijzingen voor twijfel bestaan. Eiser heeft geen aanvullende medische informatie aangeleverd om twijfel te zaaien.

De rechtbank concludeerde dat het advies zorgvuldig en inzichtelijk was en dat de minister het uitstel van vertrek terecht heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het uitstel van vertrek op medische gronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44501

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B. Goossens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek op medische gronden. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het BMA-advies ten grondslag mocht leggen aan het bestreden besluit en dat het uitstel van vertrek terecht is afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 september 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening tijdens dit beroep [1] , op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De minister heeft het verzoek om uitstel van vertrek afgewezen omdat uit een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 7 mei 2025 volgt dat eiser onder begeleiding van een maatschappelijk werker kan reizen en dat bij het uitblijven van een behandeling in Nigeria geen medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden wordt verwacht. Bij terugkeer bestaat daarom volgens de minister geen reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. Eiser voert in beroep als enige grond aan dat nog niet vaststaat dat het BMA-advies van 7 mei 2025 is gebaseerd op de juiste medische informatie en dat de conclusies onvoldoende inzichtelijk zijn. Gelet hierop is volgens eiser niet duidelijk of de minister voldaan heeft aan zijn vergewisplicht.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de minister voor de uitoefening van zijn bevoegdheden. Als de minister een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich er op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van vergewissen dat dit advies naar de wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag van een BMA-advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. [2]
6. De rechtbank overweegt dat de beschikbare medische informatie is betrokken bij het BMA-advies. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het advies niet inzichtelijk en concludent is. Als eiser het niet met de inhoud van het advies eens is, dan is het aan eiser is om met andere (medische) informatie twijfel te zaaien over de juistheid of volledigheid van het advies van het BMA. De rechtbank stelt vast dat hij dat tot op dit moment niet heeft gedaan. Eiser heeft in zijn laatste bericht van 26 mei 2026 aangegeven dat hij geen nadere stukken verwacht omdat hij niet meer onder behandeling is. Hij slikt alleen nog olanzapine als slaapmedicatie. Dat eiser deze slaapmedicatie slikte was bekend bij de arts die het BMA-advies van 7 mei 2025 heeft opgesteld en dat medicatiegebruik is ook betrokken bij de beoordeling. Omdat eiser geen nieuwe stukken heeft overgelegd en ook niets concreets heeft aangevoerd waardoor getwijfeld moet worden aan de inhoud van het BMA-advies, is de rechtbank van oordeel dat de minister van dat advies mocht uitgaan bij de beoordeling van de aanvraag.
7. Gelet op de conclusies uit het BMA-advies heeft de minister het verzoek om uitstel van vertrek op medische gronden terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de gezondheidstoestand van eiser zich niet verzet tegen uitzetting. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL25.44502
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1941.