ECLI:NL:RBDHA:2026:18871

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29626
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging overdrachtstermijn Dublin Polen wegens onderduiken bevestigd

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn aan Polen te verlengen tot 18 maanden op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken.

De rechtbank oordeelt dat eiseres zich doelbewust aan het toezicht van de Nederlandse autoriteiten heeft onttrokken door niet op de afgesproken ophaaltijd te verschijnen en het AZC te verlaten, mede ingegeven door traumatische herinneringen aan een geblindeerde bestelbus. Hierdoor was zij tijdelijk buiten bereik van de autoriteiten, wat rechtvaardigt dat de minister de termijn verlengde.

Daarnaast is geoordeeld dat de minister bevoegd was de termijn te verlengen, aangezien het besluit tot verlenging op de laatste dag van de oorspronkelijke termijn is genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlenging van de overdrachtstermijn tot 18 maanden wegens onderduiken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29626

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

gemachtigde: mr. E. Derksen,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: mr. K. Jansen.

Inleiding

1.1.
Bij besluit van 27 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de termijn voor de overdracht van eiseres aan Polen op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd tot 18 maanden vanwege onderduiken.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.3
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, nu partijen niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht op een nadere zitting te worden gehoord. Gemachtigde van eiseres heeft gevraagd op zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening een uitspraak te doen voor de geplande overdracht op 9 juli 2026. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. De zaak is niet behandeld op een zitting.

Overwegingen

2. Eiseres stelt dat zij steeds beschikbaar is geweest voor de Nederlandse autoriteiten. Zij is op alle afspraken verschenen waarvoor zij is uitgenodigd en voldoet aan haar meldplicht binnen het AZC. Uit het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie [1] volgt dat van onderduiken slechts sprake is wanneer de betrokken vreemdeling zich
doelbewust aan de nationale autoriteiten onttrekt teneinde de overdrachtsprocedure te verhinderen. Daarvan is volgens eiseres in het geheel geen sprake.
De Minister heeft volgens eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij zich bewust aan het toezicht heeft onttrokken met het doel haar overdracht te frustreren. Het bestreden besluit bevat geen concrete feiten waaruit blijkt dat eiseres zich daadwerkelijk heeft onttrokken aan het toezicht. De Minister volstaat met de enkele mededeling dat eiseres zou zijn vertrokken zonder dat bekend was waarheen. Een dergelijke constatering is onvoldoende om te kunnen spreken van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft herhaaldelijk overwogen dat de Minister concreet moet motiveren waarom uit de feiten en omstandigheden volgt dat sprake is van een bewuste onttrekking aan het toezicht. Een enkele administratieve uitschrijving of melding van afwezigheid is daarvoor niet voldoende.
2.1
Het betoog van eiseres slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de overdrachtstermijn met toepassing van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening rechtmatig heeft verlengd tot 18 maanden. De minister had voldoende redenen om ervan uit te gaan dat eiser was ondergedoken als bedoeld in het arrest Jawo.
Uit de dossiers van eiseres blijkt dat eiseres op 21 mei 2026 door DT&V is geïnformeerd over de verplichtingen om medewerking te verlenen aan de overdracht, de gevolgen van het niet verlenen van medewerking aan de overdracht aan Polen en over de vluchtgegevens. Op 26 mei 2026 is eiseres door het COA geïnformeerd over de ophaaltijd. Daarbij is eiseres
erop gewezen adreswijzigingen door te geven door middel van de daartoe strekkende mededeling op het model M35-H. Verder blijkt dat er voor zover redelijkerwijs bekend geen medische omstandigheden waren waardoor de eiseres niet beschikbaar was voor vertrek. Eiseres was op dat moment niet opgehouden of gedetineerd, was niet op een andere COA-locatie in verband met een overplaatsing en er was geen sprake van andere verschoonbare feiten of omstandigheden. De volgende omstandigheden zijn in ieder geval van toepassing waardoor eiseres buiten bereik van de autoriteiten is teneinde de overdracht te voorkomen:
- eiseres is niet verschenen op de afgesproken ophaaltijd voor de overdracht;
- eiseres is op het moment van de overdracht niet op de kamer;
- eiseres is voor zover redelijkerwijs niet bekend bij en/ of niet redelijkerwijs direct
waarneembaar door de autoriteiten elders op het COA-terrein.
Op 27 mei 2026 om 05:30 uur is door COA geconstateerd en/of is COA onverwijld geïnformeerd dat de hierboven vermelde omstandigheden zich voordeden. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarom op die datum terecht geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’.
Eiseres stelt dat zij zich op het aangegeven tijdstip heeft gemeld, maar dat bij aankomst bleek dat het vervoer zou plaatsvinden in een geblindeerde bestelbus. Dit riep bij haar ernstige traumatische herinneringen op aan de bestelbus waarin zij in Sri Lanka is ontvoerd en vervolgens seksueel is misbruikt. Als gevolg van deze acute psychische ontregeling heeft eiseres het AZC verlaten en is zij niet ingestapt voor het vervoer naar de luchthaven.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden moet aangenomen worden dat eiseres er doelbewust voor heeft gezorgd dat zij (tijdelijk) buiten het bereik was van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oogmerk om deze overdracht te voorkomen. De minister heeft de overdrachtstermijn onder deze omstandigheden rechtmatig verlengd. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister niet bevoegd was de overdrachtstermijn te verlengen, omdat de oorspronkelijke overdrachtstermijn al was verstreken. Artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening biedt uitsluitend de mogelijkheid de overdrachtstermijn te verlengen zolang deze termijn nog loopt. Na het verstrijken van de reguliere overdrachtstermijn gaat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek over op de verzoekende lidstaat en ontbreekt een grondslag om de termijn alsnog te verlengen. De Minister heeft pas na afloop van de oorspronkelijke overdrachtstermijn aan eiseres meegedeeld dat de overdrachtstermijn werd verlengd. Op dat moment was volgens eiseres de bevoegdheid om de overdrachtstermijn te verlengen reeds vervallen.
3.1
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uit de stukken blijkt dat de oorspronkelijke overdrachtstermijn liep tot en met 27 mei 2026 en dat de minister bij besluit van 27 mei 2026 de termijn voor de overdracht van eiseres aan Polen op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening heeft verlengd tot 18 maanden vanwege onderduiken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de minister terecht is overgegaan tot het verlengen van de termijn tot 18 maanden om eiseres in het kader van de Dublinverordening aan Polen over te dragen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:C:EU:2019:218.