ECLI:NL:RBDHA:2026:18869

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29627
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlenging overdrachtstermijn Dublin Polen

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de termijn voor haar overdracht aan Polen op grond van de Dublinverordening te verlengen tot 18 maanden vanwege onderduiken. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, omdat haar overdracht gepland stond op 9 juli 2026.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, mede omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.29626), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en het verzoek werd zonder zitting behandeld.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open, waardoor de beslissing definitief is.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlenging van de overdrachtstermijn aan Polen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29627

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], V-nummer: [V-nummer], verzoekster

gemachtigde: mr. E. Derksen,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: mr. K. Jansen.
1.1.
ProcesverloopBij besluit van 27 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de termijn voor de overdracht van verzoekster aan Polen op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd tot 18 maanden vanwege onderduiken.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om per omgaande uitspraak te doen op het verzoek nu de vlucht voor overdracht aan Polen is gepland op 9 juli 2026.
De minister heeft op 6 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting in het kader van de hier te beoordelen voorlopige voorziening verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.29626, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.