ECLI:NL:RBDHA:2026:18863

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL25.57198
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER op grond van Chavez-Vilchez arrest bevestigd

Eiser, met Surinaamse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als verzorgende ouder van zijn minderjarige Nederlandse zoon op basis van artikel 20 VWEU Pro en het Chavez-Vilchez arrest. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk maakte dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat zijn zoon gedwongen zou zijn de EU te verlaten als aan hem geen verblijfsrecht wordt verleend.

De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende bewijs leverde van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken en dat hij niet aannemelijk maakte dat hij met zijn zoon heeft samengewoond. Ook werd meegewogen dat eiser sinds februari 2020 tot juni 2025 in detentie verbleef, wat voor zijn eigen risico was. De minister mocht daarnaast meewegen dat de zoon in Nederland bij zijn moeder en zussen zou blijven wonen en dat gezinsleven in Suriname niet mogelijk is.

Eiser voerde aan dat hij vóór detentie een betrokken vader was en sinds zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling in juni 2025 zijn rol als verzorger weer heeft opgepakt, maar dit werd niet voldoende onderbouwd met objectieve bewijsstukken. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht oordeelde dat de drempel van marginale zorg niet werd overschreden en dat het beroep ongegrond is.

De rechtbank wees het beroep af en kende geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J. Catsburg op 5 juni 2026. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van het Chavez-Vilchez arrest wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57198

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van
een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez (een zogenoemd Chavez-verblijfsrecht) [1] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 19 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Chavez-Vilchez van 10 mei 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). [2]
4. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling griffierecht
8. Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Waar gaat deze zaak over?
9. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1980 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zijn zoon, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2017, heeft de Nederlandse nationaliteit.
Eiser verblijft sinds augustus 2005 in Nederland. Bij besluit van januari 2024 is eiser ongewenst verklaard en is aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat eiser is veroordeeld voor poging tot doodslag en vuurwapenbezit. Hiervoor is aan eiser een gevangenisstraf van 91 maanden opgelegd. Tijdens zijn detentie heeft eiser een aanvraag ingediend voor een Chavez-verblijfsrecht voor verblijf bij zijn minderjarige zoon [minderjarige] . Op 27 juni 2025 is eiser voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Tijdens de zitting is gebleken dat eiser sinds februari 2026 opnieuw in detentie verblijft.
Bestreden besluit
10. De minister heeft de aanvraag voor verblijf bij [minderjarige] afgewezen omdat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat tussen hem en zijn minderjarige kind sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat [minderjarige] gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie (EU) te verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht wordt verleend. De minister verwijst hierbij naar Informatiebericht 2025/39. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat eiser nooit ingeschreven heeft gestaan op het adres van [minderjarige] . Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser sinds de geboorte van [minderjarige] tot het moment waarop hij in detentie ging, feitelijk met [minderjarige] heeft samengewoond. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. Volgens de minister voldoet eiser daarom niet aan de voorwaarden voor een Chavez-verblijfsrecht.
10. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat geen sprake is van een schending van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens de minister is namelijk geen sprake van gezinsleven tussen eiser en [minderjarige] omdat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden.
Artikel 8 van Pro het EVRM
12. Ten aanzien van artikel 8 van Pro het EVRM overweegt de rechtbank dat dit geen bespreking behoeft, omdat eiser geen gronden heeft gericht tegen het standpunt van de minister hierover. Daarbij heeft eiser op de zitting bevestigd dat het beroep uitsluitend ziet op de afwijzing van de aanvraag om een Chavez-verblijfsrecht.
Chavez-verblijfsrecht
13. Eiser voert aan dat het moeilijk is om objectieve bewijsstukken over te leggen van dagelijkse verzorgings- en opvoedingstaken ten aanzien van een baby, maar dat hij met zijn verklaringen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór zijn detentie een betrokken vader was en een belangrijk aandeel had in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Verder voert eiser aan dat het onredelijk is dat hem wordt tegengeworpen dat hij tijdens zijn detentie niet de vader heeft kunnen zijn die hij wilde zijn en dat het onduidelijk is hoe hij een bellijst uit die periode zou moeten verkrijgen. Daarnaast stelt eiser dat hij sinds zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling op 27 juni 2025 zijn rol als verzorger en opvoeder weer volledig heeft opgepakt en dagelijks contact heeft met [minderjarige] . Volgens eiser doet het feit dat hij ingeschreven stond op het adres van zijn moeder, vanwege de onzekerheid over zijn verblijfsrechtelijke positie, niet af aan de dagelijkse zorg- en opvoedingstaken die hij samen met de moeder verrichtte.
14. Sinds de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 [3] hanteert de minister nieuwe criteria bij de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor een Chavez- verblijfsrecht. Deze criteria zijn opgenomen in Informatiebericht 2025/39 en paragraaf B10/2.5.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De derdelands ouder heeft rechtmatig verblijf als hij:
zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;
een minderjarig, Nederlands kind heeft; én
er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
15. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd dat dat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen [minderjarige] en eiser, dat [minderjarige] gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht wordt verleend. Hierbij heeft de minister mogen meewegen dat uit de verklaringen van eiser volgt dat [minderjarige] zijn leven in Nederland zal voortzetten bij zijn moeder en zussen als eiser naar Suriname zou gaan. Zo blijkt uit de antwoorden op de vragen van de hoorzitting dat eiser heeft verklaard dat gezinsleven met [minderjarige] in Suriname niet mogelijk is, omdat [minderjarige] met zijn moeder en zussen in Nederland woont en eiser bovendien niet weet waar zij in Suriname zouden moeten verblijven. [4] Daarnaast heeft eiser tijdens de zitting verklaard dat de moeder [minderjarige] niet zou toestaan om met eiser naar Suriname te vertrekken. Verder heeft de minister in de beoordeling mogen meewegen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser vanaf de geboorte van [minderjarige] tot aan zijn detentie feitelijk met hem heeft samengewoond.
16. Daarnaast heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eiser niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] verricht. De door eiser genoemde verzorgingstaken in de eerste levensjaren van [minderjarige] , zoals het verschonen en eten geven, zijn niet met objectieve stukken onderbouwd. Ook de stelling van eiser dat hij tijdens zijn detentie bijna dagelijks telefonisch contact had met [minderjarige] , is niet onderbouwd met stukken, zoals een bellijst. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het op de weg van eiser lag om aannemelijk te maken dat hij niet over dergelijke stukken kon beschikken. Eiser heeft dat echter niet aannemelijk gemaakt. Verder heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij [minderjarige] meerdere keren per week naar voetbal bracht. De door eiser tijdens de zitting genoemde activiteiten, zoals samen naar de kerk gaan en bezoeken aan een vakantiepark, geven ook geen blijk van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken. Daarnaast heeft de minister mogen meewegen dat eiser geen gezag heeft over [minderjarige] . De rechtbank merkt daarnaast op dat de omstandigheid dat eiser van februari 2020 tot juni 2025 in detentie verbleef, voor zijn eigen risico komt. Gelet op het voorgaande heeft de minister mogen concluderen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de door eiser verrichte zorg- en opvoedingstaken de drempel van marginale zorg overstijgen. De aangevoerde omstandigheden geven daarom geen blijk van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat [minderjarige] gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan eiser geen afgeleid verblijfsrecht wordt verleend. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017,
2.ECLI:EU:C:2017:354.
4.Reactie op de vragen van de hoorzitting van 7 oktober 2025.