ECLI:NL:RBDHA:2026:18824

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL25.28863
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag met proceskostenveroordeling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 27 november 2023. Verweerder heeft op 2 oktober 2025 alsnog een besluit genomen, waarmee het beroep tegen het niet tijdig beslissen feitelijk is komen te vervallen.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Ondanks de niet-ontvankelijkheid is een proceskostenveroordeling mogelijk omdat verweerder alsnog aan het verzoek van eiser heeft voldaan.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467, gebaseerd op de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de aard van het beroep. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 8 juli 2026 door rechter W.H. Bel.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €467.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28863

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder

Procesverloop

Eiser heeft op 30 juni 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 27 november 2023.
Op 2 oktober 2025 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van de beslissing op zijn aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvragen van eiser heeft besloten, maar op 2 oktober 2025 alsnog tot een besluit is gekomen, is verweerder geheel aan de beroepen van eiser tegemoetgekomen. Nu hiermee tegemoet is gekomen aan het beroep voor zover deze gericht is tegen het niet tijdig nemen van het besluit, heeft eiser in zoverre geen procesbelang meer. Dit beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
2. Het oordeel van de rechtbank beperkt zich tot een uitspraak over de proceskostenvergoeding. Ook wanneer een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, is een proceskostenveroordeling mogelijk. Dit is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepsschrift is tegemoetgekomen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, doet deze situatie zich hier voor.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Aangezien het beroep niet ten onrechte is ingesteld ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien de beroepen alleen zien op het niet tijdig nemen van de besluiten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro);
Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.