ECLI:NL:RBDHA:2026:18823

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.1276 en NL26.27080
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 5 ProcedurerichtlijnArt. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eiser heeft op 8 januari 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag (zaak NL26.1276). Op 13 mei 2026 volgde een tweede beroep (zaak NL26.27080) tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank oordeelt dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden, zoals bepaald in artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, is overschreden en dat de verlenging met negen maanden onvoldoende is gemotiveerd.

De rechtbank verklaart het eerste beroep gegrond en draagt de minister van Asiel en Migratie op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een rechterlijke dwangsom van €50 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor het geval de termijn wordt overschreden. De proceskosten van eiser worden vastgesteld op €467.

Het tweede beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, aangezien eiser met dit beroep inhoudelijk niet meer kan bereiken dan met het eerdere beroep. De rechtbank wijst op de bijzondere omstandigheden van de overschrijding van de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in de Procedurerichtlijn en benadrukt dat verweerder zo spoedig mogelijk moet beslissen.

Uitkomst: Het eerste beroep wordt gegrond verklaard met oplegging van een dwangsom en het tweede beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.1276 en NL26.27080

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 8 januari 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag in zaak NL26.1276. Vervolgens heeft eiser op 13 mei 2026 in zaak NL26.27080 een tweede beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag.
Overwegingen inzake NL26.1276
Voor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.
Is de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?
( x) Ja
( ) Nee

Is er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?

( x) Ja
( ) Nee
Is het beroep gegrond?
( x) Ja
( ) Nee
Binnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?
(
x) Er is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Is er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?
( x) Ja
( ) Nee
Hoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?
( x) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.
Is er aanleiding om proceskosten vast te stellen?
( x) Ja
( ) Nee
Hoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?
De volgende proceskosten worden toegekend:
( x) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift
met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.
Overwegingen inzake NL26.27080
De rechtbank verklaart het beroep van 13 mei 2026 niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank stelt namelijk vast dat eiser met het beroep van 13 mei 2026 in de zaak NL26.27080 inhoudelijk niet meer kan bereiken dan met het eerder ingestelde beroep in de zaak NL26.1276.

Beslissing

De rechtbank:
In de zaak geregistreerd onder zaak nummer NL26.1276;
( x) verklaart het beroep gegrond;
( x) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
( x) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
( x) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
( x) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.
In de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27080;
( x) verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.

Bijlage

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [3] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [4]
Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023/3 [5] de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd, [6] is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd. [7] Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Voor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht. [8] Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.
Als verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [9] Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [10]
De rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. [11] Dit is de rechterlijke dwangsom.
Als eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. [12] De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en/of een dwangsom is verbeurd.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.
4.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
5.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.
6.Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
7.Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.
9.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
10.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
11.Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
12.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.