ECLI:NL:RBDHA:2026:18796

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/09/700689 / FA RK 26-2141
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402 BWArt. 1:404 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie in samengesteld gezin na geboorte tweede kind

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot wijziging van kinderalimentatie ingediend door de man, die samen met zijn nieuwe partner een tweede kind heeft gekregen. De rechtbank beoordeelde de draagkracht van de man en zijn partner, alsmede die van de vrouw, en stelde de behoefte van beide minderjarige kinderen vast.

De rechtbank hanteerde de methode voor samengestelde gezinnen om de draagkracht en onderhoudsverplichtingen te verdelen. Hierbij werd rekening gehouden met het netto besteedbaar inkomen, woonlasten en zorgkorting. De man vroeg om de kinderalimentatie voor het eerste kind op nihil te stellen, wat werd afgewezen.

Uiteindelijk werd de kinderalimentatie voor het eerste kind vastgesteld op €173 per maand, ingaand op de datum van de beschikking. De rechtbank wees het verzoek tot terugbetaling van te veel betaalde alimentatie af vanwege het consumptieve karakter van kinderalimentatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderalimentatie voor het eerste kind wordt gewijzigd naar €173 per maand met ingang van de datum van de beschikking.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2141
Zaaknummer: C/09/700689
Datum beschikking: 8 juni 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 4 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Todorov te Westland.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Lisse.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van 23 april 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 8 mei 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt, na wijziging,:
  • – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 29 november 2024 – met ingang van [datum] 2025, althans per 22 december 2025, de kinderalimentatie op nihil te bepalen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht;
  • te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 250,28 per maand (in 2025) respectievelijk
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.
- Zij zijn de ouders van het volgende kind:
- -
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] uit.
- [de minderjarige 1] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Bij beschikking van 29 november 2024 is – voor zover van belang voor deze procedure – bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2024 een kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] moet betalen van € 235,- per maand.
- Bij beschikking van 2 april 2026 – met herstelbeschikking van 12 mei 2026 – is een verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld en bepaald dat [de minderjarige 1] bij de man zal zijn:
- iedere week van woensdagmiddag (na werktijd, dan wel uit school vanaf het moment dat [de minderjarige 1] naar school gaat) tot woensdagavond 18.30 uur, waarbij [de minderjarige 1] bij de vader eet en de vader [de minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder;
- in de even weken van vrijdagmiddag tot zondagavond 18.30 uur, waarbij [de minderjarige 1] bij de vader zal avondeten en de vader [de minderjarige 1] naar de moeder zal terugbrengen, waarbij geldt dat het tijdstip van terugbrengen zal verschuiven naar later naar mate [de minderjarige 1] ouder wordt, te weten: 18.30 uur tot 7 jaar, 19.00 uur van 7 tot 10 jaar, 19.30 uur van 10 tot 12 jaar en 20.00 uur van 12 tot 14 jaar.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
De man beroept zich op het eerste lid van artikel 1:401 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is niet tussen partijen in geschil.
De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
vooraf
Een rechterlijke beslissing kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW Pro).
Het moet hierbij gaan om een wijziging van de omstandigheden, zoals die door de rechter op het moment van de beslissing is vastgesteld, dan wel van de omstandigheden waarvan partijen op dat moment zijn uitgegaan. Hiérna moet zich dus een wijziging in die omstandigheden hebben voorgedaan of sprake zijn van nieuwe omstandigheden waarmee eerder geen rekening had kunnen worden gehouden. Niet iedere wijziging van omstandigheden is voldoende voor een wijzing van de vastgestelde alimentatie. Het moet gaan om een wijziging waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
De rechtbank zal hierna aan de hand van een nieuwe beoordeling van de draagkracht onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de rechterlijke uitspraak niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Daarbij geldt dat er geen sprake mag zijn van strijd met de dwingendrechtelijke bepaling dat iedere ouder
ten minsteverplicht is naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen (artikel 1:404 lid 1 BW Pro).
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
De vader verzoekt wijziging van de kinderalimentatie primair vanaf [datum] 2025, en subsidiair 22 december 2025. De moeder is het hier niet mee eens.
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 eerste Pro lid BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) kinderalimentatie. Hierbij geldt dat volgens vaste jurisprudentie het uitgangspunt is dat de rechter terughoudend moet omgaan met zijn bevoegdheid tot wijziging van de kinderalimentatie met ingang van een datum gelegen voor zijn uitspraak. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om een eventuele gewijzigde kinderalimentatie eerder te laten ingaan dan de datum van deze beschikking. Dit betekent ook dat het verzoek van de man tot bepaling dat de vrouw gehouden is de (eventueel) te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen wordt afgewezen gelet op het consumptieve karakter van kinderalimentatie.
Behoefte [de minderjarige 1]
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] € 880,- bedroeg in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] € 980,- per maand. De rechtbank zal in haar berekening uitgaan van dit bedrag.
Behoefte [de minderjarige 2]
Op [datum] 2025 is de man opnieuw vader geworden. De rechtbank zal daarom ook de behoefte van [de minderjarige 2] moeten vaststellen. Partijen verschillen van mening over hoe de behoefte van [de minderjarige 2] moet worden berekend, zodat de rechtbank een eigen berekening zal opstellen. De rechtbank zal hierbij gebruik maken van de inkomensgegevens van 2026 van de man en zijn huidige partner.
Aan de zijde van de man houdt de rechtbank rekening met een inkomen van € 3.224,81 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, zoals blijkt uit zijn salarisstrook van april 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een prestatietoeslag van € 100,- bruto per maand. De rechtbank overweegt in dat kader dat uit de eerdere loonstroken van de man is gebleken dat hij structureel een prestatietoeslag van € 100,- per maand ontving. De enkele omstandigheid dat de man nu ouderschapsverlof opneemt en minder werkt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat de man minder goed functioneert en daardoor geen prestatietoeslag meer ontvangt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om deze toeslag buiten beschouwing te laten. Uit de eerdere loonstroken van de man blijkt verder dat hij in het verleden veel overuren maakte en ook verschillende netto vergoedingen ontving. Op de loonstrook van april 2026 zijn geen vergoedingen meer te zien voor overuren of netto vergoedingen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om hier rekening mee te houden. Aangezien de man nu ouderschapsverlof opneemt, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat hij alsnog overuren maakt. Ten aanzien van de netto vergoedingen gaat de rechtbank ervan uit dat hier daadwerkelijk gemaakte kosten aan tegenover staan, zodat deze bedragen het inkomen van de man niet verhogen.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:
  • Paww Wn van € 3,22 per maand;
  • de pensioenpremie € 309,94 per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 2.773,- per maand.
Aan de zijde van de partner van de man houdt de rechtbank rekening met een basissalaris van € 3.051,27 bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit haar loonstrook van maart 2026. Uit de loonstrook van maart 2026 blijkt dat de partner van de man in die maand 4,5 uur heeft overgewerkt en deels betaald ouderschapsverlof opneemt. De rechtbank is van oordeel dat uit het geringe aantal overuren onvoldoende blijkt dat dit structureel is, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om hier rekening mee te houden. Ook het (betaald) ouderschapsverlof laat de rechtbank buiten beschouwing, nu zij rekening houdt met het basisinkomen. Het is de rechtbank immers niet bekend hoe lang de partner van de man nog recht heeft op betaald ouderschapsverlof, of zij hierna onbetaald ouderschapsverlof zal opnemen dan wel anderszins minder zal gaan werken of dat zij weer terug zal gaan naar haar regulier aantal uren.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:
  • de pensioenpremie € 117,06 per maand;
  • Paww Wn van € 2,30 per maand;
  • de WGA-gatverzekering van € 9,39 per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de partner van de man in 2026 op € 2.964,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de man en zijn partner bedraagt in 2026 dus € 5.737,- per maand (€ 2.773,-
+€ 2.964,-
). Op basis hiervan berekent de rechtbank de behoefte van [de minderjarige 2] in 2026 op € 773,- per maand.
Draagkracht man
De rechtbank hanteert bij de berekening van de draagkracht van de man dezelfde uitgangspunten als hiervoor bij de berekening van de behoefte van [de minderjarige 2] . De rechtbank houdt derhalve rekening met een NBI van € 2.773,- per maand.
Met ingang van 1 januari 2023 wordt bij de vaststelling van de kinderalimentatie rekening gehouden met een woonbudget. Dat is 30% van het NBI. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde woonbudget. Gebleken is dat de man samenwoont met zijn nieuwe partner, zodat de rechtbank het redelijk acht om bij ieder van hen rekening te houden met een woonlast van 15%. De rechtbank zal hierop de formule voor de berekening van de draagkracht aanpassen. 30% van het NBI van de man is € 832,-, de rechtbank zal daarom rekening houden met € 407,-, zijnde de helft van dit bedrag. De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – € 407,- + € 1.365,-)]
.De draagkracht van de man is dan € 701,- per maand.
Draagkracht partner van de man
Ook ten aanzien van de draagkracht van de partner van de man hanteert de rechtbank dezelfde uitgangspunten als hiervoor genoemd bij de behoefteberekening van [de minderjarige 2] . De rechtbank houdt derhalve rekening met een NBI van € 2.964,- per maand.
Ook bij de partner van de man zal de rechtbank rekening houden met 15% van het woonbudget. Bij het hiervoor genoemde NBI hoort een woonbudget van € 889,- (30% van
€ 2.964,-). De rechtbank zal rekening houden met de helft van dit bedrag, zijnde € 445,-. De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – € 445,- + € 1.365,-)]
.De draagkracht van de partner van de man is dan € 808,- per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.680,79 bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de door haar overgelegde loonstroken 2026.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de pensioenpremie van € 309,02 per maand;
  • de premie sociaal fonds van € 7,35 per maand;
  • de WIA van € 22,82 per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 3.650,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 833,- per maand. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de zijde van de vrouw rekening te houden met de helft van het woonbudget, nu niet is komen vast te staan dat de vrouw en haar partner samenwonen.
Samenloop
Er is sprake van samenloop van onderhoudsplichtigen. Partijen zijn beiden onderhoudsplichtig voor hun zoon [de minderjarige 1] . De man is daarnaast met zijn partner onderhoudsplichtig voor [de minderjarige 2] . De onderhoudsplicht voor [de minderjarige 1] is van gelijke rang als die voor [de minderjarige 2] . Bij een samenloop moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De rechtbank zal voor de verdeling van de kosten de methode bij samengestelde gezinnen toepassen. Daarbij wordt de zuivere draagkracht van de man per gezin berekend. Voor zover de man een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over beide aandelen omgeslagen.
Verdeling van de kosten
Om te beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen, moet de rechtbank rekening houden met de bijdragen die de andere onderhoudsplichtigen moeten voldoen. Om het aandeel van de man vast te stellen, vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de man met de draagkracht van de vrouw, omdat zij samen onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 1] . Omdat de man en zijn nieuwe partner onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 2] , zal de rechtbank de draagkracht van de man vergelijken met die van zijn partner, om zijn aandeel in de kosten van [de minderjarige 2] vast te stellen.
De rechtbank zal, zoals hiervoor omschreven, de draagkrachtvergelijking zo vormgeven dat er twee afzonderlijke en los van elkaar staande berekeningen worden gemaakt, namelijk een voor zijn voormalige gezin en een voor zijn huidige gezin.
Draagkrachtvergelijking tussen de man en de vrouw
De man en de vrouw hebben een gezamenlijke draagkracht van € 1.534,- per maand (€ 833,- + € 701,-). Dit is voldoende om gezamenlijk in de behoefte van [de minderjarige 1] te voorzien (€ 980,-). De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte van [de minderjarige 1] naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 701 / 1.534 * 980 = € 448,- per maand
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 833 / 1.534 * 980 = € 532,- per maand
Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] komt een gedeelte van € 448,- voor rekening van de man.
draagkrachtvergelijking tussen de man en zijn huidige partner
De man en zijn partner hebben een gezamenlijke draagkracht van € 1.509,- per maand
(€ 701 + € 808). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 2] van € 773,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom net als hiervoor een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte van [de minderjarige 2] naar rato van ieders draagkracht wordt verdeeld.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 701 / 1.509 * 773 = € 359,-
Het eigen aandeel van de partner bedraagt: 808 / 1.509 * 773 = € 414,-
Draagkrachtvergelijking conform de verhoudingenmethode
De totale eigen aandelen van de man bedragen € 807,- per maand (€ 448,- + € 359,-). Ten opzichte van de draagkracht van de man heeft hij daarmee een tekort van € 106,- per maand (€ 701,- – € 807,-) . De draagkracht van de man moet daarom worden berekend naar rato van de berekende aandelen. Dit leidt tot de volgende verdeling.
De man draagt bij:
Voor [de minderjarige 1] : 448 / 807 * 701 = € 389,-
Voor [de minderjarige 2] : 359 / 807 * 701 = € 312,-
Dit leidt ertoe dat ten aanzien van [de minderjarige 1] een tekort bestaat van € 59,- per maand
((€ 532,- + € 389,-) – € 980).
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Gelet op de door de rechtbank op 2 april 2025 vastgestelde zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen, acht de rechtbank een zorgkorting van 25% redelijk. De zorgkorting bedraagt dan in beginsel € 245,- per maand.
Omdat sprake is van een tekort van € 59,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort (€ 29,-) komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 216,- per maand (€ 245,-
(bedrag zorgkorting)-/- € 29,-
(bedrag van de helft van het tekort)),
Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 1] bedraagt dan € 173,- per maand (€ 389,- -/- € 216,-).
Conclusie
Het aandeel van de man in de kosten voor [de minderjarige 1] bedraagt daarom € 173,- per maand. De man heeft verzocht om nihilstelling en dat verzoek moet worden afgewezen. Omdat de man daarbij de rechtbank heeft verzocht om, in het geval nihilstelling wordt afgewezen, een zodanig bedrag vast te stellen als de rechtbank juist acht, zal rechtbank zal voornoemd bedrag met ingang van vandaag vaststellen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
29 november 2024 – :
bepaalt de door de man met ingang van vandaag te betalen alimentatie voor de minderjarige -
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , op € 173,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door
mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 juni 2026.