ECLI:NL:RBDHA:2026:18786

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/09/690846 / FA RK 25-6571
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorg- en omgangsregeling met kinderalimentatie en raadsonderzoek in familierechtzaak

Partijen, ouders van drie minderjarige kinderen, zijn uit elkaar en hebben een geschil over gezag, zorg- en omgangsregeling en kinderalimentatie. De vader verzoekt om een uitgebreide omgangsregeling en gezamenlijke gezagsuitoefening over twee kinderen, terwijl de moeder eenhoofdig gezag wenst over de oudste.

De rechtbank constateert veel onrust en spanningen tussen de ouders, met betrokkenheid van Veilig Thuis, politie en hulpverleners. Er zijn ernstige beschuldigingen en onduidelijkheden over de situatie. Daarom wordt een raadsonderzoek gelast en een traject Ouderschapsbemiddeling aanbevolen, waarbij de beslissing over het gezag en de definitieve zorg- en omgangsregeling wordt aangehouden.

Voorlopig wordt een omgangsregeling vastgesteld waarbij de kinderen in wisselende weken bij de vader verblijven, met specifieke afspraken voor vakanties en feestdagen. De oudste wil voorlopig geen contact met de vader, maar er wordt toch een beperkte omgang geregeld. Daarnaast wordt een informatieregeling vastgesteld en kinderalimentatie berekend op € 348,- per maand, met een zorgkorting toegepast. De ouders betalen gezamenlijk de kosten van huiswerkbegeleiding.

De rechtbank bepaalt de ingangsdatum van de alimentatie op 17 maart 2026 en stelt een pro forma zitting op 15 februari 2027 voor voortzetting na ontvangst van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige zorg- en omgangsregeling vast, bepaalt kinderalimentatie en gelast een raadsonderzoek en ouderschapsbemiddeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6571
Zaaknummer: C/09/690846
Datum beschikking: 8 juni 2026

Gezag, zorg- c.q. omgangsregeling en kinderalimentatie

Beschikking op het op 1 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano te Katwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de vader;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de moeder;
  • het F9-formulier van 30 april 2026 van de moeder, met bijlagen;
  • het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende verzoeken van de vader;
  • het F9-formulier van 7 mei 2026 van de moeder, met bijlage;
  • het F9-formulier van 8 mei 2026 van de vader, met bijlage;
  • het F9-formulier van 8 mei 2026 van de moeder, met bijlage.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over de verzoeken.
De minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de verzoeken, maar hebben hier geen gebruik van gemaakt.
Op 11 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot april 2025.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft de kinderen erkend.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit. De moeder oefent het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit.
- De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder.
- Bij vonnis van deze rechtbank van 20 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter – voor zover hier van belang – de moeder vervangende toestemming verleend om met [minderjarige 1] van 21 juni 2025 tot en met 5 juli 2025 op vakantie te gaan naar Spanje.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt – na aanvulling – :
  • de ouders voortaan gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ;
  • een zorgregeling tussen de vader en de kinderen te bepalen, in die zin dat:
- in de even weken haalt de vader de kinderen op dinsdag uit school op en brengt hen donderdag naar school;
- in de oneven weken haalt de vader de kinderen op vrijdag op en brengt hen op maandagochtend naar school;
- de eerste vier studiedagen van het schooljaar zijn de kinderen bij de vader, de overige studiedagen zijn zij bij de moeder;
- een vakantieregeling tussen de vader en de kinderen te bepalen, in die zin dat:
- in de even jaren zijn de kinderen bij de vader gedurende de herfstvakantie, de eerste week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie en de tweede week van de kerstvakantie;
- in de oneven jaren zijn de kinderen bij de vader gedurende de voorjaarsvakantie, de tweede week van de meivakantie, de laatste drie weken van de zomervakantie en de eerste week van de kerstvakantie;
  • te bepalen dat de moeder de vader minimaal iedere maand per e-mail informeert over de ontwikkeling van de kinderen op school, in hun vrije tijd, in hun relaties met vrienden/vriendinnen, alsmede over hun lichamelijk en geestelijk welzijn;
  • te bepalen dat de vader aan de moeder per datum indiening verzoekschrift, te weten 17 maart 2026, € 53,- per maand per kind aan kinderalimentatie, telkens bij vooruitbetaling, dient te voldoen;
  • de ouders te verwijzen naar [hulpverlener 1] , voor het volgen van een traject Ouderschapsbemiddeling dan wel Parallel Solo Ouderschap;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder – na wijziging – zelfstandig verzocht:
  • te bepalen dat de moeder het eenhoofdig gezag verkrijgt over [minderjarige 1] ;
  • te bepalen dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de reguliere schoolweken eens per vier weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven, alsmede wekelijks van maandag uit school tot dinsdag 19:00 uur;
  • de volgende vakantie- en feestdagenregeling te bepalen:
- de meivakantie bij helfte wordt gedeeld, waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de eerste
week van de vakantie, van vrijdag uit school tot vrijdag 19:00 uur, een week
later, bij de moeder verblijven en daarna bij de vader. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn dan
in de eerste week tezamen met hun zus, die ook vrij heeft, bij de moeder;
- de herfstvakantie wordt gedeeld, in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de oneven
jaren bij de vader zijn en in de even jaren bij de moeder;
- de zomervakantie wordt gedeeld, in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de even
jaren de 2e en 3e week bij de vader zijn, te rekenen van zaterdag 12:00 uur tot
vrijdag, twee weken later 19:00 uur. In de oneven jaren zullen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de 4e en 5e week bij de vader zijn van zaterdag 12:00 uur tot vrijdag, twee weken laten, 19:00 uur;
- de kerstvakantie wordt gedeeld in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de eerste week
(vrijdag uit school tot vrijdag 19:00 uur een week later) bij de vader zijn en de
tweede week bij de moeder zijn, van vrijdag 19:00 uur tot maandag naar
school;
- de kerstdagen wordt gedeeld in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] altijd 2e kerstdag
bij de moeder verblijven van 26 december 12:00 tot 27 december 12:00 uur;
- oud en nieuw wordt gedeeld, in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de even jaren
van 31 december 16:00 uur tot 1 januari 12:00 uur bij de vader zijn en in de
oneven jaren bij de moeder;
- de voorjaarsvakantie wordt gedeeld, in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de even jaren bij de vader zijn en in de oneven jaren bij de moeder;
- het paasweekend te verdelen, in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] 1e paasdag bij de vader zijn en 2e paasdag bij de moeder zijn;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op de verjaardag van de betreffende ouder bij die ouder zijn van
10:00 uur c.q. uit school tot de volgende dag 10:00 uur dan wel naar school;
- te bepalen dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voldoet van € 310,- per maand voor [minderjarige 1] en € 210,- per maand per kind voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , dan wel een bijdrage in goede justitie te bepalen, primair per datum indiening verzoek omtrent gezag, subsidiair per datum indiening van het verweerschrift van de moeder;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Raadsonderzoek en verwijzing traject Ouderschapsbemiddeling
De ouders hebben over een weer een verzoek gedaan met betrekking tot het gezag over de kinderen. De vader verzoekt om hem mede met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te belasten, terwijl de moeder verzoekt om haar met het eenhoofdige gezag over [minderjarige 1] te belasten. Ook hebben beide ouders een verzoek gedaan tot het vaststellen van een zorg- c.q. omgangsregeling (inclusief vakanties en feestdagen).
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende duidelijk geworden. Er bestaat veel onrust en spanningen tussen de ouders, hetgeen ertoe geleidt heeft dat de vader de kinderen op dit moment niet ziet. Ondertussen is zowel Veilig Thuis, [hulpverlener 2] en de politie betrokken (geweest). De rechtbank constateert dat de moeder ernstige beschuldigingen van (doods)bedreigingen heeft geuit jegens de vader. Anderzijds beschuldigt de vader de moeder ervan dat zij de kinderen bij hem weghoudt. Het is de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden wat zich tussen de ouders heeft afgespeeld en nog steeds speelt. Ook de Raad heeft op de zitting aangegeven niet precies te kunnen duiden wat er tussen de ouders is voorgevallen. Gelet daarop heeft de Raad op de zitting geadviseerd om een raadsonderzoek te gelasten. De rechtbank zal het advies van de Raad volgen.
De rechtbank zal de Raad verzoeken om een onderzoek te verrichten en daarover een rapport en advies uit te brengen waarin alle drie de kinderen worden betrokken, ter beantwoording van de volgende vragen:
  • Welke vorm van gezag acht de Raad in het belang van de kinderen?
  • Ziet de Raad mogelijkheden voor en/of belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag door de ouders? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?
  • Hoe dient de zorg- c.q. omgangsregeling met de vader er qua aard, duur en frequentie uit te zien?
  • Is (nadere) hulpverlening voor de vader, de moeder en/of de kinderen noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders hun medewerking aan het raadsonderzoek zullen verlenen.
Daarnaast hebben de ouders op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. Het traject Ouderschapsbemiddeling kan parallel lopen aan het raadsonderzoek. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling, zoal blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces verbaal is al per e-mail verzonden aan Jeugdteams [regio] voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van het gezag en de definitieve zorg- c.q. omgangsregeling (inclusief vakanties en feestdagen) aanhouden voor de duur van negen maanden in afwachting van het raadsonderzoek en de resultaten van het traject Ouderschapsbemiddeling.
Voorlopige zorg- c.q. omgangsregeling (inclusief vakanties en feestdagen)
Zoals hierboven besproken zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de definitieve zorg- c.q. omgangsregeling aanhouden voor de duur van negen maanden. Omdat de rechtbank het belangrijk vindt dat het contact tussen de vader en de kinderen op korte termijn weer wordt hersteld, zal zij hierna een
voorlopigezorg- c.q. omgangsregeling bepalen.
Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bepaalt de rechtbank een
voorlopigeomgangsregeling, in die zin dat zij in de oneven weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven, alsmede in de even weken van woensdag uit school tot donderdag naar school. Daarbij houdt de rechtbank rekening met hetgeen in de stukken en ter zitting is aangevoerd betreffende de behoefte van [minderjarige 3] aan (extra) structuur.
Ten aanzien van [minderjarige 1] overweegt de rechtbank dat zij heeft aangegeven geen contact met de vader te willen. Zij wil zelf contact met hem opnemen op het moment dat zij daar behoefte aan heeft. Daarbij heeft de moeder op de zitting aangegeven dat [minderjarige 1] niet bij de vader wil slapen. De rechtbank kan de weerstand van [minderjarige 1] in het contact met de vader niet precies duiden. Daar dient in het raadsonderzoek aandacht aan te worden besteed. Omdat de rechtbank het wel belangrijk vindt dat ook [minderjarige 1] contact heeft met de vader, zal zij in afwachting van het raadsonderzoek toch een
voorlopigezorg- c.q. omgangsregeling bepalen. De rechtbank bepaalt dat [minderjarige 1] drie keer per maand naar de vader gaat, waarvan twee weekenddagen van 10:00 uur tot na het avondeten en één doordeweekse dag uit school tot na het avondeten, in onderling overleg met de vader te bepalen.
Ook zal de rechtbank een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling bepalen:
  • Zomervakantie 2026: conform het verzoek van de vader verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. Daarnaast verblijft [minderjarige 1] gedurende de zomervakantie zeven dagen bij de vader van 10:00 uur tot na het avondeten, in onderling overleg met de vader te bepalen;
  • Herfstvakantie 2026: omdat de kinderen in 2025 de herfstvakantie bij de vader hebben doorgebracht, zullen zij ( [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) aankomende herfstvakantie bij de moeder verblijven;
  • Kerst(vakantie) 2026: conform het verzoek van de moeder verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de eerste week van de kerstvakantie (minus tweede kerstdag) van vrijdag uit school tot vrijdag 19:00 uur bij de vader en de tweede week van de kerstvakantie van vrijdag 19:00 uur tot maandag naar school bij de moeder. Daarbij geldt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tweede kerstdag (26 december) van 12:00 uur tot 27 december 12:00 uur bij de moeder doorbrengen. Daarnaast verblijft [minderjarige 1] in de kerstvakantie eerste kerstdag (samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) bij de vader, alsmede nog twee dagen van 10:00 uur tot na het avondeten, in onderling overleg met de vader te bepalen.
Informatieregeling
De vader heeft verzocht om te bepalen dat de moeder de vader minimaal iedere maand per e-mail informeert over de ontwikkeling van de kinderen op school, in hun vrije tijd, in hun relaties met vrienden/vriendinnen, alsmede over hun lichamelijk en geestelijk welzijn. De moeder heeft op de zitting ingestemd met het verzoek van de vader. Omdat niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de vader een informatieregeling bepalen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2026 (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De door de rechtbank gemaakte berekeningen worden aan deze beschikking gehecht.
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen. De ingangsdatum is tussen partijen in geschil.
De moeder verzoekt primair de ingangsdatum op 1 september 2025 te bepalen, te weten de datum waarop de vader het verzoekschrift heeft ingediend. Subsidiair verzoekt zij de ingangsdatum op 17 maart 2026 te bepalen, te weten de datum waarop de moeder een zelfstandig verzoek tot kinderalimentatie heeft gedaan.
De vader voert hiertegen verweer. De vader stelt dat de moeder pas op 17 maart 2026 een zelfstandig verzoek heeft gedaan tot kinderalimentatie, zodat die datum als ingangsdatum dient te worden gehanteerd.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:402 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de wetgever de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Daarbij liggen drie ingangsdata het meest voor de hand:
  • de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn;
  • de datum van indiening van het verzoekschrift;
  • de datum van de beschikking.
De rechtbank zal de ingangsdatum op 17 maart 2026 te bepalen, omdat de moeder op die datum het verzoek tot kinderalimentatie heeft gedaan.
Behoefte van de kinderen
Om te berekenen welke bijdrage elk van de ouders moet leveren in de kosten van de kinderen, moet eerst worden bepaald wat de kosten van de kinderen zijn (de behoefte).
De ouders zijn begin 2025 uit elkaar gegaan. De moeder heeft de behoefte van de kinderen, geïndexeerd naar 2026, en exclusief de kosten van huiswerkbegeleiding voor [minderjarige 1] , berekend op € 576,- per maand per kind. De vader heeft de behoefte van de kinderen, geïndexeerd naar 2026 berekend op € 606,- per maand per kind. Omdat deze bedragen erg dichtbij elkaar liggen, ziet de rechtbank aanleiding om voor de behoefte uit te gaan van € 591,- per maand per kind, te weten het gemiddelde van waar de ouders in hun berekening op uit komen. In totaal bedraagt de behoefte van de kinderen dan € 1.773,- per maand.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een gemiddeld inkomen van € 3.700,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de vader overgelegde salarisstroken van januari, februari en maart 2026.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende premies:
  • de pensioenpremie van (gemiddeld) € 207,- per maand;
  • de premie voor nabestaandenpensioen van (gemiddeld) € 6,- per maand;
  • de aanvullende pensioenpremie van (gemiddeld) € 4,- per maand;
  • de arbeidsongeschiktheid premie van (gemiddeld) € 15,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
De moeder stelt dat voor de berekening van de draagkracht van de vader ook rekening moet worden gehouden met zwart geld dat de vader op structurele basis verdient. Volgens de moeder heeft de vader in de periode van 2016 tot en met 2025 een bedrag van € 100.000,- netto aan zwart geld gegenereerd. Gelet daarop is de moeder van mening dat voor de berekening van de draagkracht van de vader rekening moet worden gehouden met een netto inkomsten van € 10.000,- per jaar.
De vader voert hiertegen verweer. De vader erkent dat hij in het verleden extra heeft gewerkt en dat hij daarmee extra geld heeft verdiend. Hij stelt zich echter op het standpunt dat hij niet meer van plan is om extra te gaan werken. Daarbij is hij op dit moment ook ziek gemeld. Volgens de vader dient er daarom geen rekening te worden houden met een netto bijverdiensten uit zwart werk.
De rechtbank overweegt als volgt. De vader heeft niet betwist dat hij het financieel overzicht, zoals door de moeder als productie 6 is overlegd, heeft opgesteld. Hieruit leidt de rechtbank af dat de vader van 2016 tot en met 2025 (ruim) € 100.000,- aan contant/zwart geld heeft gegenereerd. Omdat de vader blijkbaar 10 jaar lang extra inkomsten heeft gegenereerd, gaat de rechtbank ervan uit dat de vader deze bijverdiensten zal blijven hebben. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de vader onvoldoende informatie heeft verschaft over zijn ziekte en welke gevolgen zijn ziekte heeft op zijn inkomen om hier rekening mee te houden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in haar berekening rekening houden met € 10.000,- per jaar aan netto inkomsten.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader in 2026 op € 3.893,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht – conform de aanbevelingen uit het rapport – de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan in beginsel: 70% x [3.893 – (1.168 + 1.365)] = € 952,- per maand.
Draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 50.904,- bruto per jaar, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de moeder overgelegde salarisstroken van januari en februari 2026.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 460,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder in 2026 op € 4.357,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht – conform de aanbevelingen uit het rapport – de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan in beginsel: 70% x [4.357 – (1.307 + 1.365)] = € 1.180,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.132,- per maand (€ 952 + € 1.180). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken met de draagkracht van de ouders, waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: draagkracht ouder / totale draagkracht x behoefte van de kinderen. Dit leidt tot het volgende:
aandeel vader: 952 / 2.132 x 1.773 = 792
aandeel moeder: 1.180 / 2.132 x 1.773 = 981
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 792,- per maand voor rekening van de vader en een gedeelte van € 981,- per maand voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Zoals reeds overwogen zal de rechtbank een
voorlopigezorg- c.q. omgangsregeling bepalen. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om een zorgkorting van 35% te hanteren ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en een zorgkorting van 5% ten aanzien van [minderjarige 1] . De zorgkorting bedraagt dan € 414,- per maand (in totaal) voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en € 30,- per maand voor [minderjarige 1] . In het geval de definitieve zorg- c.q. omgangsregeling zal leiden tot een andere zorgkorting, staat het partijen vrij om aan de hand van de hierbij door de rechtbank vastgestelde gegevens een berekening te maken met de gewijzigde zorgkorting.
Conclusie
Uitgaande van bovenstaande zal de rechtbank de door de vader aan de moeder ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te betalen kinderalimentatie bepalen op € 57,- per maand per kind. Ten behoeve van [minderjarige 1] zal de rechtbank de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie bepalen op € 234,- per maand. Voorgaande betekent dat de vader, met ingang van 17 maart 2026, in totaal € 348,- per maand aan kinderalimentatie zal betalen aan de moeder.
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.
Kosten huiswerkbegeleiding
Zoals uit het vorenstaande blijkt zal de rechtbank voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige 1] geen rekening houden met de kosten van huiswerkbegeleiding. De ouders hebben hier op de zitting afspraken over gemaakt, inhoudende dat de ouders ieder de helft van de kosten van de huiswerkbegeleiding van [minderjarige 1] zullen betalen. Daarbij geldt dat de moeder de factuur betaalt en een kopie hiervan met een betaalverzoek voor de helft van die kosten aan de vader toestuurt. De rechtbank zal deze afspraak opnemen in het dictum van de beschikking.
Brief aan [minderjarige 1]
Tegelijk met deze beschikking stuurt de rechtbank een brief aan [minderjarige 1] waarin zij de beslissing uitlegt. De inhoud van de brief luidt als volgt:
Beste [minderjarige 1] ,
Op 8 mei 2026 ontving ik van jou een brief. In deze brief schrijf jij dat je voor nu geen contact met je vader wil. Als je dat op een later moment wel wil, wil je dat graag zelf met je vader regelen. Je wil ook niet dat je vader iets over jou te zeggen heeft. Op 11 mei 2026 heb ik met jouw ouders gesproken. Ik begrijp dat er veel is gebeurd tussen jouw ouders en ik denk dat jouw keuzes daarmee te maken hebben.
Jouw vader wil jou graag weer zien en heeft mij gevraagd of ik daar een beslissing over kan nemen. Ik vind het belangrijk dat jouw vader een rol in je leven heeft. Maar ik denk ook dat ik nog te weinig weet om voor de komende jaren een goede beslissing te kunnen nemen.
Ik heb aan de Raad voor de kinderbescherming gevraagd of zij uit kunnen zoeken wat er gebeurd is tussen jouw ouders en hoe het gaat met jou en je broers. De Raad gaat met jullie en met veel mensen om jullie heen praten. Daarna sturen ze mij een uitgebreide brief. In die brief gaat de Raad allemaal informatie, tips en adviezen geven. Daarna ga ik kijken wat er moet gebeuren.
De Raad heeft wel even tijd nodig om dat allemaal te doen. Ik vind het belangrijk dat jij ondertussen wel af en toe je vader ziet. Als je hem zo heel lang niet ziet, wordt het steeds moeilijker om naar hem toe te gaan. Dat vind ik niet goed voor jou, je vader hoort gewoon bij jouw leven. Ik heb ook in jouw brief gelezen dat jij graag zelf met je vader wil kijken hoe de omgang eruit moet zien. Daarom heb ik voor nu beslist dat jij elke maand drie dagen bij je vader gaat zijn. Twee keer in een weekend van 10 uur tot na het avondeten, en één keer doordeweeks, uit school tot na het avondeten. Welke dagen dat precies moeten worden, kun jij met je ouders beslissen.
Ik heb ook alvast voor de zomervakantie, herfstvakantie en kerstvakantie iets beslist.
  • In de zomervakantie ga je zeven dagen van 10 uur tot na het avondeten naar je vader. Jij beslist samen met je ouders welke dagen dat zijn;
  • In de herfstvakantie ga je niet naar je vader;
  • In de kerstvakantie ben je eerste kerstdag samen met je broers bij je vader. Verder ben je dan nog twee dagen van 10 uur tot na het avondeten bij je vader, waarbij jij weer met je ouders beslist welke dagen dat zijn.
Als ik de brief van de Raad heb gekregen (waarin ook zal staan wat jij er allemaal van vindt), ga ik weer met je ouders praten. Dan gaan we kijken hoe het allemaal verder moet.
Ik hoop dat dit zo oké voor je is.
Hartelijke groetjes,
De kinderrechter

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
voorlopigin de oneven weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven, alsmede in de even weken van woensdag uit school tot donderdag naar school;
*
bepaalt dat [minderjarige 1]
voorlopigdrie keer per maand naar de vader gaat, waarvan twee weekenddagen van 10:00 uur tot na het avondeten en één doordeweekse dag uit school tot na het avondeten, in onderling overleg met de vader te bepalen;
*
bepaalt de volgende
voorlopigevakantie- en feestdagenregeling:
  • Zomervakantie 2026: [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. Daarnaast verblijft [minderjarige 1] gedurende de zomervakantie zeven dagen bij de vader van 10:00 uur tot na het avondeten, in onderling overleg met de vader te bepalen;
  • Herfstvakantie 2026: de kinderen ( [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) verblijven bij de moeder;
  • Kerst(vakantie) 2026: [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven de eerste week van de kerstvakantie (minus tweede kerstdag) van vrijdag uit school tot vrijdag 19:00 uur bij de vader en de tweede week van de kerstvakantie van vrijdag 19:00 uur tot maandag naar school bij de moeder. Daarbij geldt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tweede kerstdag (26 december) van 12:00 uur tot 27 december 12:00 uur bij de moeder doorbrengen. Daarnaast verblijft [minderjarige 1] eerste kerstdag bij de vader, alsmede nog twee dagen van 10:00 uur tot na het avondeten, in onderling overleg met de vader te bepalen;
*
bepaalt een informatieregeling, waarbij de moeder de vader minimaal iedere maand per e-mail informeert over de ontwikkeling van de kinderen op school, in hun vrije tijd, in hun relaties met vrienden/vriendinnen, alsmede over hun lichamelijk en geestelijk welzijn;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 17 maart 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 57,- per maand per kind zal betalen en ten behoeve van [minderjarige 1] van € 234,- per maand, te weten € 348,- per maand in totaal, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de ouders ieder de helft van de kosten van de huiswerkbegeleiding van [minderjarige 1] zullen betalen, waarbij geldt dat de moeder de factuur betaalt en een kopie hiervan met een betaalverzoek van de helft van die kosten aan de vader toestuurt;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot
15 februari 2027 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] , (de vader)
wonende te [adres 1] ,
en
[de moeder] , (de moeder)
wonende te [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams [regio] voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Jeugdteams [regio] , [adres 3] ;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór de hierboven genoemde pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag en de zorg- c.q. omgangsregelingaan in afwachting van het raadsonderzoek en de resultaten van het traject Ouderschapsbemiddeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 juni 2026.