ECLI:NL:RBDHA:2026:18766

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26635 en NL26.26636
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man, diende op 30 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Polen verantwoordelijk werd geacht op grond van een eerdere geldige verblijfstitel van eiser in Polen.

Eiser voerde aan dat zijn Nederlandse echtgenote psychische klachten heeft en recent een miskraam heeft gehad, waardoor zij afhankelijk is van zijn steun en niet naar Polen kan verhuizen. Hij stelde dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden om zijn aanvraag in Nederland te behandelen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn overdracht aan Polen een onevenredige hardheid oplevert. De emotionele en praktische steun die eiser aan zijn echtgenote biedt, kan ook op afstand plaatsvinden, zoals in het verleden is gebleken. Bovendien ontvangt de echtgenote in Nederland al medische en psychische zorg en heeft zij een sociaal netwerk.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht heeft besloten de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.26635 en NL26.26636
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M. Khababi)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Polen ervoor verantwoordelijk is.
1.1
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 22 juni 2026 op zitting behandeld.
Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook eisers echtgenote is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. Ermek.
1.2
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.26636) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 30 december 2025 in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Polen een geldige verblijfstitel had. Polen is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat hij is getrouwd met een Nederlandse vrouw. Zijn echtgenote kampt met psychische klachten, heeft recent een miskraam gehad en is gebonden aan Nederland. Zij heeft aangegeven sterk afhankelijk te zijn van de emotionele en praktische steun van eiser. Een scheiding van haar echtgenoot zou haar gezondheidssituatie nadelig beïnvloeden. Hiertoe heeft de echtgenote een verklaring overgelegd. Voor zijn echtgenote is het vanwege haar kwetsbare toestand niet mogelijk om naar Polen te gaan. Ten onrechte is geen toepassing gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat zijn overdracht aan Polen van een onevenredige hardheid getuigt. De op zichzelf begrijpelijke wens van eiser en zijn echtgenote om bij elkaar in Nederland te verblijven, is onvoldoende. Hoewel de echtgenote van eiser met psychische problematiek kampt, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder gehouden was om de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken. Eiser heeft onvoldoende (met stukken) onderbouwd op welke manier zijn overdracht aan Polen een negatieve weerslag zal hebben op de gezondheid van zijn echtgenote of waarom deze overdracht noodzakelijkerwijs ertoe zou moeten leiden dat zij gescheiden van elkaar zullen raken. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat als hij in Polen is, hij geen contact meer kan hebben met zijn echtgenote en haar niet meer kan ondersteunen. Ter zitting heeft eiser immers verklaard in het verleden gescheiden van zijn echtgenote te zijn geweest en dat hij haar toen alsnog op afstand heeft kunnen ondersteunen door onder andere met haar te videobellen. Niet is aangetoond dat haar medisch-psychische situatie sindsdien is verergerd of waarom de situatie nu zodanig is veranderd, dat eiser niet op diezelfde manier vanuit Polen zijn echtgenote kan ondersteunen zoals in het verleden.
7. Daarnaast is evenmin duidelijk geworden dat eisers echtgenote geen enkele ondersteuning kan vinden anders dan die van eiser. Zo blijkt uit de stukken en de verklaring van de echtgenote van 12 mei 2026, dat zij in Nederland behandeling ontvangt voor haar medische en psychische problemen, dat zij hier vaste zorgverleners heeft en een sociaal netwerk. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een partner in Nederland kan worden verkregen.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Polen ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
9. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.