ECLI:NL:RBDHA:2026:1876
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Emaus-Visschers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf pleegkinderenbeleid conform artikel 8 EVRM
Eiser, een minderjarige met de Sri Lankaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland bij zijn pleegvader en pleegmoeder. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af op grond van het pleegkinderenbeleid, omdat eiser geen onaanvaardbare toekomst in Sri Lanka heeft en niet voldoet aan de voorwaarden zoals het minimaal een jaar verzorgd en opgevoed zijn door de pleegouders met voogdij.
Eiser voerde aan dat hij feitelijk tot het gezin van zijn pleegouders behoort en dat er sprake is van gezinsleven conform artikel 8 EVRM Pro. Hij stelde dat de voogdij aan de pleegouders was toegekend en dat de grootouders niet in staat zijn voor hem te zorgen. De rechtbank oordeelde dat de minister zich voldoende had gemotiveerd en dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden of gezinsleven, mede omdat de pleegouders sinds 2017 niet meer met eiser samenwoonden en het contact beperkt was.
De rechtbank verwierp ook het verweer dat het besluit onbevoegd was genomen, aangezien de ondertekening slechts een kennelijke verschrijving betrof. De minister had terecht geoordeeld dat de Sri Lankaanse autoriteiten niet hebben ingestemd met het verblijf van eiser bij de pleegouders in Nederland.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de mvv-aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf.