ECLI:NL:RBDHA:2026:18754
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening in Utrecht
De zaak betreft het bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren tegen de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht. De LVV bood opvang en begeleiding aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. De minister maakte eind 2024 bekend dat de opvang per 1 januari 2025 zou stoppen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar de minister stelde dat eiser geen procesbelang meer had omdat hij Nederland had verlaten en naar Ierland was vertrokken, waar hij een asielaanvraag had ingediend. De rechtbank oordeelt dat dit standpunt terecht is, omdat het doel van het bezwaar – het verkrijgen van opvang via de LVV – feitelijk niet meer relevant is voor eiser.
De rechtbank overweegt dat het ontbreken van procesbelang leidt tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat deze termijn nog niet was overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 19 juni 2026.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de LVV is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.