ECLI:NL:RBDHA:2026:18747

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20330
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 DublinverordeningArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 20 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Palestijnse asielzoeker, diende op 4 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit het Eurodac-systeem bleek dat eiser eerder een asielaanvraag in Kroatië had ingediend, waardoor Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser betwistte dit en voerde aan dat hij in Kroatië onmenselijk behandeld was en vreest herhaling bij terugkeer. Hij verzocht om toepassing van de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt binnen de EU en dat alleen bij aannemelijke systematische tekortkomingen in Kroatië kan worden afgeweken van de verantwoordelijke lidstaat.

De rechtbank vond dat eiser onvoldoende objectieve en verifieerbare informatie had geleverd om systematische tekortkomingen aan te tonen. Zijn eerdere ervaringen en verklaringen van andere vluchtelingen waren onvoldoende om het vertrouwensbeginsel te doorbreken. Ook is niet gebleken dat klagen bij Kroatische autoriteiten zinloos is. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft het besluit in stand dat Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard en de overdracht aan Kroatië blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20330

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 9 april 2026 waarin verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen (het bestreden besluit).
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Palestijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 4 december 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
3. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Kroatië en dat land daarom op grond van de Dublinverordening [1] verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Op 30 januari 2026 hebben de Kroatische autoriteiten het verzoek van verweerder om eiser terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een slechte behandeling heeft gehad in Kroatië. Verweerder heeft zich niet op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen hierover als ongeloofwaardig of onwaarschijnlijk moeten worden aangemerkt. Deze verklaringen sluiten bovendien aan bij verklaringen van andere vluchtelingen over de onmenselijke behandeling waaraan zij door de Kroatische autoriteiten zijn blootgesteld. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Kroatië opnieuw onmenselijk behandeld zal worden en heeft verweerder daarom verzocht om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (discretionaire bevoegdheid). Eiser voert aan dat, gelet op zijn verklaringen, verweerder op onjuiste gronden dan wel op grond van een onjuiste motivering geen toepassing heeft gegeven aan dit artikel.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat zij hun Unierechtelijke en internationale verplichtingen naleven. Dit wordt het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest. [2] Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste Nederlandse rechter in onder meer vreemdelingenzaken, heeft bevestigd dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [3] Uit wat eiser heeft verklaard over zijn eigen ervaringen en de verwijzing naar de ervaringen van andere vluchtelingen, zonder dat hier objectieve en verifieerbare informatie aan ten grondslag ligt, volgt nog niet dat er in Kroatië sprake is van systematische tekortkomingen.
7. Voor de vraag of de overdracht van eiser zal leiden tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest moet bovendien niet worden beoordeeld wat de situatie is van immigranten die zich aan de grens melden, maar wat de situatie is van asielzoekers die na een expliciet terugnameakkoord gereguleerd worden overgedragen. [4] Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor deze personen sprake is van systematische tekortkomingen, moet er vanuit worden gegaan dat eiser na overdracht aan Kroatië adequaat zal worden behandeld. Eisers eerdere ervaringen in Kroatië maken dit niet anders, omdat toen de Dublinverordening nog niet op hem van toepassing was. Bovendien kan eiser klagen bij de Kroatische autoriteiten indien hij na overdracht onverhoopt geen opvang zou kunnen krijgen. Het is niet gebleken dat dit niet kan of dat klagen op voorhand zinloos is.
8. Uit het voorgaande volgt verder dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het besluit is op dit punt daarom voldoende gemotiveerd.
9. De conclusie is dat het beroep kennelijk ongegrond is; het bestreden besluit blijft in stand. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat hij kan worden overgedragen aan Kroatië.
10. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.
4.Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024 in de zaak X, ECLI:EU:C:2024:195, over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.