ECLI:NL:RBDHA:2026:18728

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.30898
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van onaantastbaar COA-plaatsingsbesluit

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsbeperkende maatregel die door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel verplicht eiser om te verblijven in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het onderliggende COA-plaatsingsbesluit, dat daarmee in rechte onaantastbaar is geworden. Dit betekent dat de rechtbank de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit moet aannemen en dat de vrijheidsbeperkende maatregel, die hieraan ten grondslag ligt, niet onrechtmatig kan zijn.

De beroepsgronden die zien op de plaatsing in de HTL en de gevolgen daarvan zijn niet aan de orde in deze procedure, omdat deze betrekking hebben op het onaantastbare plaatsingsbesluit. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30898

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.W.M. Weerman).

Procesverloop

1. Bij besluit van 10 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw [1] (de vrijheidsbeperkende maatregel).
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank overweegt dat de minister door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiser heeft verplicht om met ingang van 10 mei 2026 te verblijven in de HTL [2] in Hoogeveen. Daarmee hangt samen het plaatsingsbesluit van het COa [3] van 10 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit en dat de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Daarom staat het plaatsingsbesluit in rechte vast en dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid daarvan.
3. De oplegging van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel houdt verband met het in rechte onaantastbaar geworden COa-plaatsingsbesluit. Nu de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit, kan niet geoordeeld worden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, waaraan het plaatsingsbesluit ten grondslag ligt, ten onrechte of op onjuiste grondslag is genomen. De beroepsgronden die zien op de HTL-plaatsing en de gevolgen/beperkingen die eiser hierdoor ondervindt liggen in onderhavige procedure niet ter toetsing voor, nu deze betrekking hebben op het in rechte onaantastbaar geworden plaatsingsbesluit en/of geen verband houden met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bij het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Handhaving- en Toezichtlocatie.
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.