ECLI:NL:RBDHA:2026:18724

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35467
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod in asielprocedure

Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen als kennelijk ongegrond, waarna een terugkeerbesluit is opgelegd. Het beroep tegen deze beslissing werd niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens diende verzoeker een herhaalde aanvraag in, die eveneens niet-ontvankelijk werd verklaard en waarbij een inreisverbod van twee jaar werd opgelegd.

Verzoeker stelde beroep in tegen het inreisverbod en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting naar Egypte te voorkomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang had vanwege de geplande uitzetting, maar dat het beroep geen redelijke kans van slagen bood. De overgelegde documenten waren nieuw maar onvoldoende relevant en toonden geen omstandigheden aan die het inreisverbod konden weerleggen.

De voorzieningenrechter vond het belang van de overheid om de uitzetting te effectueren zwaarder wegen dan het belang van verzoeker om in Nederland te blijven. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt niet in een bodemprocedure. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod wordt afgewezen omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35467

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 31 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 13 januari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond en aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep tegen dit besluit is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, op 28 april 2026 niet-ontvankelijk verklaard [1] .
1.1.
Verzoeker heeft op 9 juni 2026 een herhaalde aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 juni 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard en aan verzoeker een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Op 7 juli 2026 heeft verweerder aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op 8 juli 2026 zal worden uitgezet naar Egypte.
1.4.
Verzoeker heeft daarop verzocht om de voorlopige voorziening met spoed te behandelen, dan wel een ordemaatregel te treffen om de behandeling van de voorlopige voorziening in Nederland af te mogen wachten.
1.5.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. [2]

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [3] Op het door verzoeker ingestelde beroep is nog niet beslist. Verweerder heeft bij kennisgeving van 7 juli 2026 aan verzoeker medegedeeld dat hij op 8 juli 2026 zal worden uitgezet naar Egypte. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft.
Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het beroep van verzoeker geen redelijke kans van slagen. Zij overweegt daartoe als volgt. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gronden van het beroep zich richten tegen het inreisverbod en niet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Volgens verzoeker is het inreisverbod in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. [4] Ter onderbouwing hiervan heeft verzoeker bij zijn herhaalde asielaanvraag scheidingsdocumenten overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker is gescheiden van zijn voormalig echtgenote in Egypte. Daarnaast heeft verzoeker een Italiaans document overgelegd waarin staat dat [naam] verzoeker vanaf 12 mei 2026 voor onbepaalde tijd onderdak wil verlenen. Ook is een verklaring van geen bezwaar overgelegd van de Consul-Genraal van Egypte dat verzoeker in het huwelijk kan treden met [naam]. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat deze documenten weliswaar nieuw zijn, maar niet relevant voor de beoordeling van de herhaalde asielaanvraag. Bovendien zeggen de documenten niets over de duur, intensiteit en bestendigheid van de gestelde relatie zodat niet is gebleken van omstandigheden als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker zelf tijdens het gehoor tweemaal heeft aangegeven dat er geen nieuwe redenen zijn voor het doen van een herhaalde asielaanvraag.
5. Gelet op het voorgaande heeft het beroep geen redelijke kans van slagen. Ook ambtshalve ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de uitzetting achterwege moet laten. [5] Het belang van verweerder om de uitzetting van verzoeker te effectueren weegt dan ook zwaarder dan het belang van verzoeker om de behandeling van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dit betekent dat verweerder de uitzetting van verzoeker niet achterwege hoeft te laten. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is telefonisch bekendgemaakt aan partijen op 8 juli 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.NL26.3214
2.Zie artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
5.Bahaddar tegen Nederland, 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, paragraaf 45.