ECLI:NL:RBDHA:2026:18724
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod in asielprocedure
Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen als kennelijk ongegrond, waarna een terugkeerbesluit is opgelegd. Het beroep tegen deze beslissing werd niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens diende verzoeker een herhaalde aanvraag in, die eveneens niet-ontvankelijk werd verklaard en waarbij een inreisverbod van twee jaar werd opgelegd.
Verzoeker stelde beroep in tegen het inreisverbod en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting naar Egypte te voorkomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang had vanwege de geplande uitzetting, maar dat het beroep geen redelijke kans van slagen bood. De overgelegde documenten waren nieuw maar onvoldoende relevant en toonden geen omstandigheden aan die het inreisverbod konden weerleggen.
De voorzieningenrechter vond het belang van de overheid om de uitzetting te effectueren zwaarder wegen dan het belang van verzoeker om in Nederland te blijven. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt niet in een bodemprocedure. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod wordt afgewezen omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.